logo

Bij brand en onheil

In volle 19e eeuw bleef de oude Lakenhalle voor diverse functies dienstig, deels als stadsgevangenis, deels als stadsmagazijn en brandweerlokaal.

lederen emmerBij brand stond heel de stad in rep en roer. Riep men "brand, brand ! "dan trad een niet meer te stoppen burgerlijk automatisme in gang. Een soort rampenplan avant la lettre. Iedere burger wist wat hij moest doen.

Een hele resem ambachtslui stoof naar de plaats van het onheil dat reeds was aangegeven door de torenwachters die de rode vlag op de Sint-Romboutstoren uithingen in de richting van de brand. 's Nachts gebruikte men daarvoor een lantaarn. De trompetters bliezen hun longen leeg, terwijl de brandklok begon te beieren.

Ondertussen hadden de burgers in de omgeving van de brand, kaarsen, lantaarns, olielampen ontstoken zodat de aanrukkende brandweer gemakkelijk de weg tot de plaats van het ongeluk zouden kunnen vinden. Aan de huizen hadden de mensen reeds kannen, emmers, kuipen geplaatst en voorzien van water, voor zover ze die vlug konden vullen. Water kon men halen uit de Dijle, de vlietjes, de bornputten en de verschillende handpompen die toen al volop dienst deden. De brandweer moest ondertussen hun mannen weten te verzamelen om zo snel als mogelijk op de plaats van de brand te geraken.

Er werd geld gegeven aan burgers om de pompen mee te helpen duwen. Immers een deel van de pompiers moesten emmers en ladders vergaren die op verschillende plaatsen in de stad opgestapeld lagen. Eens ter plaatse gaf de "opperbevelhebber, getooid met de rode veer op zijn muts," de instructies hoe er moest geblust worden. De brandslangen werden voorzichtig uitgerold en de bedienaars moesten zorg dragen dat die worsten, zoals ze dat toen noemden, niet in een knik lagen en goed aangesloten waren met de waterkuip.

Brandreglement van 1807

Op 25 februari 1822 wordt in de stad een "Brandreglement" opgesteld. Het college van Burgemeester en Schepenen, vernieuwde het vorige reglement van 1807 en deed de nodige aanpassingen waarvan je hieronder de belangrijkste punten kan lezen:

  • 1/ Zodra er een brand in de stad ontstaat zal de trompetter, torenwachter aan de vier hoeken van de toren blazen, 's nachts zal hij een lantaarn uithangen en tijdens de dag een rood vaandel, altijd langs de kant van de brand.
  • Brandreglement2/ De bewaarder van de hoofdkerk moet de brandklok luiden
  • 3/ De nachtwakers, bediende van de politie en alle andere personen moeten zodra zij de brand ontdekken; Brand, Brand roepen en zo mogelijk de richting aanwijzen. De politie moet alle wijken doorlopen waar de brand woedt en de personenwaarschuwen: de opper-brandmeester, de bewaarder der sleutels van de kerk, de heren Burgemeester en Schepenen, de secretaris van de stad en de commissaris van de politie, de commandanten van de garnisoens wacht en van de Maré chaussée verwittigen. (de stad toen toen nog onder het bevel van de Nederlanders, want België bestond toen nog niet!)
  • 4/ De bestierders der brandspuiten en hun helpers worden zo vlug mogelijk gewaarschuwd.
  • 5/ De Bouwmeester en opperste-brand-spuitmeester als ook alle andere stadswerklui moeten zich naar de stadshalle begeven om vandaar de werktuigen en spuiten naar de plaats van de brand te begeven.
  • 6/ De grote spuiten moeten bediend worden door tien personen, waarvan twee bestierders, twee helpers en zes werklui, deze dragen allen een lederen muts met de nummer van de spuit op.
  • 7/ De opper-brand-spuitmeester (bevelhebber), draagt op ziijn muts een rode pluim en zal toezicht hebben over de interventie.
  • 8/ Zijn benoemd tot opper-brand-spuit-meester, sieur (mijnheer) Cornelius Walschaerts.
  • 9/ Van spuit Nr.1 S.briers, timmerman en JB.Van der Meulen, blekslager.
  • 10/ Van spuit Nr.2 Vos, bezetter, en A.Maes, smid.
  • 11/ Van spuit Nr.3 Francq, tingieter en Van Buscom, smid.
  • 12/ Van spuit Nr.4 Pluys, metser en Steeghmans, zeeldraaier.
  • 13/ Van spuit Nr.5 Pluys, glanzenmaker en Wautergeerts, smid.
  • 14/ Voor de helpers vn de spuit Nr.1, zijn benoemd Maes en Noëz, schaliedekker, voor Nr.2 J.B Hertoghe, schrijnwerker en Ph.Goris, timmerman, voor spuit Nr.3 Janssens, draaier en JF.Van den Eynde, steenkapper, voor spuit Nr.4 P.J.Smets, glazenmaker en voor spuit Nr.5 Van den Heuvel, hoofd der stads-handwerkers.
  • 15/ De huisbewaarder zal in het brandhuis (kazerne in de stadshalle) blijven om alle werktuigen naar de laats van de brand te brengen.
  • 16/ Alle metsers, timmerlieden, schalie-dekkers, schouwvegers en andere arbeiders zijn verplicht zich naar de plaats van de brand te begeven om het vuur te helpen blussen.
  • 10/ Alle hoveniers en mestrapers moeten ook op de eerste waarschuwing tonnen water met hun paarden, karren en sleden ter plaatse brengen zo vaak het nodig is.
  • 17/ Alle inwoners van de stad worden gevraagd om te helpen bij het vervoeren van de brandspuiten naar de plaats van de brand, ze krijgen een premie van 6 gulden.
  • 18/ De politiecommissaris, de bouwmeester, de opperbrandspuit-meester en de bestierders zullen het volk aanmoedigen om mee de brand te helpen blussen.
  • 19/ De schepen die gelast is met de politie zal gezamelijk met de bouwmeester-controleur van de stad en de opper-brandspuit-meester zullen alle twee maanden een nauwleurige schouwing doen van al de brandspuiten en werktuigen.
  • 20/ Twee maal per jaar zullen er op de Grote Markt in de maanden april en september publieke oefeningen plaatsvinden.
Evolutie
Wateraanvoer

Men had veel water nodig. Daarom moesten de mestrapers, de hoveniers, de voerlieden en de kordewaegenaers met hun wagens en paarden water aanvoeren die ze in tonnen aanbrachten. Die tonnen konden ze krijgen van de brouwers. De eerste twee tonnen water brachten 3 gulden op.

De wateraanvoer mocht niet onderbroken worden. Men maande de burgers aan mee te helpen blussen, hetzij met het aanbrengen van water of met de brandweerlui vrijwillig bij te staan.

Immers aanpalende woningen probeerde men tegen de vlammen te beschermen door natte doeken en zeilen aan te brengen. Het was een heel schouwspel, zelfs de bestuurders van de stad hielpen mee in het uitdelen van raad en aanwijzingen terwijl de politie moeders en kinderen op afstand hielden.

Inboedels werden opgeslagen in een woning of magazijn op veilige afstand van de brand. Burgers waren verplicht hun huis of magazijn ervoor ter beschikking te stellen en voor de bewaring van de goederen in te staan.

Waar men de dag vandaag een brand met volle vertrouwen overlaat aan de professionele brandweer, lag de situatie toen anders. Iedere burger spande zich in om de vuurhaard snel te blussen. Bij uitbreiding van de brand liep eenieders huis gevaar en kon de stad in een totale ramp verzeild geraken.

Lees ook ...
Generic placeholder image

De grote stadsbrand in Chicago (Illinois) in 1871. Het hele verhaal op:

The Great Chicago fire

De stad beschikte over zes handspuiten, de drie eerste werden het meest ingezet en kregen steun van de overige twee naargelang de hevigheid van de brand.
Bij brand stond heel de stad in rep en roer. Riep men "brand, brand ! "dan trad een niet meer te stoppen burgerlijk automatisme in gang.