Materiaal en uitrusting van het brandweerkorps

BrandreglementIn 1822 spreekt het "Brand-Reglement" van 5 grote spuiten, de eerste drie bediend door tien spuitgasten onder leiding van 2 vaste "bestierders", de laatste twee door twee spuitgasten en twee bestierders. Verder was er een niet gespecifieerd aantal kleine spuiten.

Brandhaken werden nog steeds zoals vroeger gebruikt om muren of daken neer te halen.

Tonnen en kuipen werden bij brouwers gehaald en vervoerd door hoveniers, werklieden en mestrapers met paarden en karren.

Een inventaris opgemaakt in 1859 geeft ons een vrij volledig beeld van het brandweermateriaal in die tijd. In 1885 wordt in de gemeenteraad een krediet van 450 Bf gestemd voor de inrichting van een apart lokaal voor de brandspuit van het korps van Nekkerspoel. Twee jaar eerder had men voor 1.535 Bf een gelijkaardig lokaal bij de Stadshallen (stadhuis) ingericht.

In 1886 koopt de stad bij de Mechelse handelaar Kestemont een stoomspuit aan. Het is niet bekend van welk atelier deze machine afkomstig was, maar er bestaat een grote kans dat zij uit de werkplaatsen van J. Beduwe te Luik kwam, de grote specialist in die tijd. Enkele jaren later gaat men over tot de vernieuwing van het bijhorend materiaal en worden er 500 m brandslangen en de nodige koperen "raccords" aangeschaft.

In 1893 wordt een ingewikkeld systeem van elektrische alarmbellen aangelegd dat de brandweerlieden verbindt met het politiebureau, zodat zij snel kunnen gewaarschuwd worden.

Zodoende zijn we dan aangeland bij de periode van het "Gewapend korps van Vrijwillige Pompiers in 1895". Daar er een goede organisatie en een even efficiënte bediening van het materiaal mag verwacht worden, worden de laatste resten van artisanale brandbestrijding zoals uit de tijd van het Ancien Regime opgeruimd. De "kordewagenaars" die ondanks de afschaffing der ambachten in de Franse tijd waren blijven verder bestaan en die ok hun traditionele functie van waterdragers bij brand waren blijven vervullen, worden nu verzocht hun materiaal in te leveren, nl 4 vaten, 10 brandemmers en 2 trechters.

Intussen is de uitrusting der brandweerlieden, in functie van hun "gewapend" karakter inderdaad met 96 geweren en een onbepaald aantal sabels, gekregen van het Centraal Arsenaal der Vesting te Antwerpen, uitgebreid. In 1911 worden deze geweren ingeleverd te Antwerpen en vervangen door nieuwe.

eerste stoompompIn 1898 krijgen de pompiers een gloednieuwe stoombrandspuit uit het atelier Jos. Beduwe et Fils te Luik en 500 m nieuwe brandslangen (diameter 70 mm) geleverd.

Deze brandslangen waren al geruime tijd uit linnen vervaardigd in plaats van uit leder zoals vroeger. Vervolgens duurde het een hele tijd vooraleer nieuw materiaal werd aangekocht.

Na de Eerste Wereldoorlog werd een "autopomp" aangekocht, wanneer is niet bekend. Feit is dat ze in 1932 moest hersteld worden.

In 1939 worden de brandslangen en raccords vervangen en er wordt een draagbare motorpomp aangeschaft. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt wel enig nieuw materiaal verworven.

Zo wordt de stad in 1941 verplicht een aantal auto's van de Duitse bezetter over te nemen, waarvan er onmiddellijk enkele voor de brandweer worden bestemd. Een jaar later worden 2 Pyrenne-blusapparaten voor auto's en 4 Dräeger gasmaskers aangeschaft. Deze maskers bevinden zich nog steeds in ons museum. In 1942 wordt ook een slaapgelegenheid met bedden ingericht in het brandweerlokaal.

In juli 1945 verkoopt men 1 Citroën van de Duitsers, en worden 3 wagens model Bedford aangeschaft.

Wat betreft de kledij en uniformen kon men het volgende vaststellen. Voor zover uit de reglementen en andere documenten kan opgemaakt worden was nauwelijks van kledij sprake voor 1895. In het reglement van 1822 wordt gesproken van lederen mutsen met het nummer van de spuit erop waar die man ze draagt bij hoort.

De "opper-brand-spuit-meester" draagt een rode pluim als onderscheidingsteken. Het brandweerkorps van het Arsenaal had een vrij ingewikkeld systeem van onderscheidingstekens uitsluitend bestaande uit verschillende armbanden in zijde of leder met of zonder zilveren opstiksels.

Wat betreft het brandweerkorps van de stad blijft het enige onderscheidingsteken, nl de lederen muts, tot 1895 gedragen werd. Het reglement van 1895 spreekt desbetreffend nergens van. Zoals te verwachten brengt ook hier de oprichting van het "Vrijwillig gewapend korps" in 1895 de grote doorbraak. Nu worden er namelijk 2 uniformen ingevoerd.

Een werkkledij voor rekening van de stad en een "grote tenue" of "prachtkledij" op kosten van de leden, maar gedeeltelijk gefinancierd uit een daarvoor speciaal bestemde spaarkas, de zgn "kleding massa". De bewapening der officieren was voor hun eigen rekening, die van de manschappen werd door de stad geleverd.

Over aard en kwaliteit van de werkkledij licht ons het "Lastenkohier" voor de aanbesteding van het leveren en maken van kledingstukken der gewapende pompiers van Mechelen uit 1895, ruimschoots in.

autospuit in 1930In 1938 bestond het materiaal uit 1 motorspuit met tweetaktmotor Wasterlein met een debiet van 1000 liter/min en 1 autospuit-Delhaye 18x24 PK, met een debiet van eveneens 1000 liter/min.

Er was 1 mechanische ladder van 14 m lengte, 1 schuifladder van 7 m, een haakladder van 2,5 m en 9 gewonen ladders.

Verder waren er 1 rookmasker, 2 handhaspels, 1 haspelauto, 2 transportauto's, een springzeil en enkele reddingstouwen.