logo

Grondreglement

Art.1 Een gemeentelijke beroepsbrandweerdienst is te Mechelen opgericht. Het korps staat onder het gezag van de Burgemeester en maakt deel uit van de gewestelijke groep Mechelen.

Het korps is belast de geschikte maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand te bestuderen en te bewerkstelligen en tot het reddingswerk over te gaan. Het kan opgeroepen worden voor de handhaving van de orde en openbare rust.

Art.2 - a) Het  korps bestaat uit:

              één commandant
              twee luitenanten
              twee sergeanten
              twee korporaals en twaalf pompiers

b) De officieren worden door de gemeenteraad benoemd en afgezet onder voorbehoud van de goedkeuring van de provinciegouverneur.
c) Voor al de andere functies wordt de benoeming op proef gedaan door het College van Burgemeester en Schepenen, en de bepaalde benoeming door de gemeenteraad na een proeftijd van één jaar, mits te voldoen aan de algemene bepalingen van de verordening 1947 op het personeel.

ONTWERP

Art.3 Om als beroepsbrandweerman in dienst te worden genomen moeten de kandidaten voldoen aan de bepalingen van de verordening op het gemeentepersoneel, t.t.z

  • a) Belg zijn
  • b) van goed gedrag en zeden zijn
  • c) voldaan hebben aan de militieverplichtingen
  • d) een proef afleggen
  • e) een geneeskundig onderzoek ondergaan
  • f) ten minste 22 en ten hoogste 30 jaar oud zijn

kazerneZij moeten daarenboven één van de volgende beroepen uitgeoefend hebben: te bewijzen door voorlegging van een getuigschrift; auto-mecanicien, paswerker, ijzerdraaier, schrijnwerker, meubelmaker, lasser, smid, electricien en plaatslager.

Om als officier toegelaten te worden moeten zij houder zijn van diploma's waaruit blijkt dat zij grondige algemene technische kennis bezitten omtrent de zaken die bijzonder met de brandweer en reddingswerken in verband staan, of met vrucht de vakcursussen voor brandweerofficier gevolgd te hebben.

Om tot korporaal bevorderd te worden moeten de brandweermannen minstens 2 jaar dienst tellen. De bevordering wordt gedaan door het College, op voorstel van de commandant van het korps. Bevordering tot sergeant kan verleend worden na minstens 2 jaar dienst als korporaal.

Art.4 Vooraleer in dienst te treden leggen de officieren ten overstaan van de Burgemeester de grondwettelijke eed af.

Art.5 Al de leden zonder onderscheid van graad, worden eervol ontslagen op 31 december van het jaar waarin zij de leeftiijd van 60 jaar bereiken. Indien buitengewone omstandigheden zulks wettigen, mag de korpsoverste, mits voorafgaande goedkeuring van de Provinciegouverneur, van jaar tot jaar, tot de leeftijd van 65 jaar in dienst worden behouden.

Art.6 De gouverneur mag de eretitel van zijn graad toekennen aan de officier die eervol ontslag bekwam, en die gedurende minstens 10 jaar in dienst is gebleven. De ere-officier mag voor het bijwonen van officiële plechtigheden en feesten of vergaderingen de reglementaire kledij dragen.

Art.7 Het korps wordt door de korpsoverste onder de controle van het College van Burgemeester en Schepenen bestuurd.

Art.8 Het uniform, de uitrusting en de herkenningstekens voor de graden, komen overeen met de beschrijving welke in bijlage II van het modelreglement is gegeven. De brandtenue, die eveneens moet overeenkomen met al de beschrijvingen in bijlage II is alleen verplichtend.

Art.9 De aankoop enhet onderhoud van de brandtenue en de uitrusting zijn op koste van de gemeente.

Art.10 De leden zijn geldelijk aansprakelijk voor het verlies en de beschadiging van de hen toevertrouwde uitrusting en kledingstukken. Nochtans zal de schade, veroorzaakt in en door de uitoefening van de dienst, door de gemeente gedragen worden, na verslag door de korpsoverste.

Art.11 Buiten dienst mag geen enkel uniform of uitrustingstuk gedragen worden zonder uitdrukkelijke toestemming van de korpsoverste. De brandweermannen in uniform, mogen geen andere eretkens of kentekens dragen dan deze verleend door de Belgische of door een vreemde regering. Het dragen van eretekens van vreemde nationale orden is echter slechts veroorloofd, wanneer bij K.B daartoe machtiging verleend wordt.

Art.12 De dienstprestatie, zowel van officieren als van manschappen, dienen aldus geregeld dat steeds de helft van het korps en één officier aanwezig zijn in het korps. Ieder lid is zodiende achtereenvolgens 24 uren op wacht en 24 uren vrij.

Art.13 De gewone dagtaak zal ingedeeld worden als volgt:

  • Opstaan: 6.30 u ( op woensdag en zaterdag om 6 u teneinde de lokalen met water te reinigen).
  • Voormiddag: 8.00 u tot 8.30 u en van 8.30 u tot 9.00 u turnen, theorie, oefeningen of werken
  • Namiddag: 13.30 u tot 17.00 u werken
  • Avond: van 17.00 u af, ontspanning en van 22.30 u rusttijd.

Art.14 De vaste beroepsbrandweermannen hebben recht op de hierna bepaalde verlofdagen:
7 dagen per jaar na 1 jaar dienst
8 dagen per jaar na 5 jaar dienst
9 dagen per jaar na 10 jaar dienst
10 dagen per jaar na 15 jaar dienst

Op de wettelijke feest-en verlofdagen wordt aan de leden van het Beroepsbrandweerkorps zondagdienst toegekend. De bepalingen van Art.15 van dit reglement zijn op die dagen van kracht. Voor het buitengewoon verlof zijn de leden onderworpen aan de bepalingen van Art.13 laatste paragraaf van de verordening op het personeel. Het verlof wordt geregeld en vastgesteld door de commandant, met inachtneming van de noodwendigheden van de dienst.

Art.15 Op de zon- en wettelijke feestdagen wordt er niet gewerkt, aan de manschappen die zulks wensen moet de gelegenheid gegeven worden om hun godsdienstige plichten te vervullen. Nochtans zorgt de officier dat de dienst steeds verzekerd blijft. Hij deelt daartoe deze manschappen eventueel in kleine groepen in.

Art.16 Onder toezicht van de Burgemeester of zijn afgevaardigde is de commandant in het bijzonder gelast met:

  1. de verdeling der technische functies onder de leden.
  2. het opmaken en bijhouden van de dienstrol, rekening houdende met de verdeling der technische functies
  3. het onderricht en de opleiding in het korps, gezamelijke oefeningen enz.
  4. het toezicht op de kledij, de uitrusting en het materieel.
  5. het bijhouden van de inventaris van het brandweer en reddingsmaterieel.
  6. het nemen van alle nodige maatregelen met het oog op een spoedig en afdoend optreden in geval van een brandramp. De commandant kan zich in deze taak laten bijstaan door de meest bevoegde onder de geradueerden.

Art.17 Bij afwezigheid van de officier van dienst wordt deze vervangen dor de commandant.

Art.18 De telefonist verlaat nooit de seinkamer zonder zich eerst te hebben laten vervangen.

Art.19 De schouwburgdienst zal verzekerd worden door vrijwilligers á rato van een vaste vergoeding door de Gemeenteraad bepaald.

Art.20 Bij een brandramp worden zo nodig, en volgens de onderrichtingen van de commandant, al de beroepsbrandweermannen, dus ook deze die met rust zijn opgeroepen. Dergelijke extra-prestaties kunnen met verlof vergoed worden.

Art.21 Alleen de commandant, of de officier die hem vervangt, mag bevelen geven tot het bestrijden van de brand of het onheil, en voor de verschillende manoeuvers voor reddingsdienst. Indien een gebouw echter geheel of gedeeltelijk dienst neergehaald, moet hij daartoe machtiging vragen aan de Burgemeester van de betrokken gemeente of diens afgevaardigde.

Art.22 Voor de regeling van arbeidsongevallen gedraagt de stad zich naar de wetgeving ter zake en naar de bestaande bepalingen van de verordening op het personeel.

Art.23 oefDe plichten van de gegradueerde en niet gegradueerde leden tegenover hun meerderen zijn dezelfde als bij het leger.

Art.24 De tuchtstraffen zijn dezelfde als deze voorzien bij de algemene verordening op het personeel.

Art.25 De leden moeten heel hun tijd aan de dienst van het korps wijden. Zij vallen onder toepassing van Art.15 van de algemene verordening op het personeel.

Art.26 Het is de leden verboden, naar aanleiding van de uitoefening van hun functie, onnder gelijk welk voorwendsel, geld of beloningen te ontvangen, tenzij daartoe door de Burgemeester te zijn gemachtigd. In voorkomend geval wordt het geld dat mag ontvangen worden, gestort in een speciale kas, waarvan de inhoud eens per jaar, bij geldelijke delen verdeeld zal worden onder al de leden van het lager personeel, (brandweermannen, korporaal en sereganten).

Art.27 Het is de brandweermannen in dienst uitdrukkelijk verboden toegang tot de lokalen te verlenen aan personen vreemd aan aan het brandweerkkorps, behalve aan de leden van het gemeentebestuur.

Art.28 Het is hun in de kazerne eveneens ten strengste verboden om het even welk spel voor geld te beoefenen, politieke of andere twisten te voeren, bier of andere alcoholische dranken te verbruiken.

Art.29 intHet korps is onderworpen aan de inspectie ingesteld bij ministerieel besluit van 30 april 1935.

Art.30 Elke donderdagmorgen om 10.00 u zal er door de commandant overgegaan worden tot een algemene inspectie der lokalen, het materieel , de kleding enz... Eén maal in de maand, nl de 15e of de daarop volgende maandag, zal de inspectie door de Burgemeester of zijn afgevaardigde bijgewoond worden.

Art.31 Binnen de 48 u na elke zware brand die het korps heeft helpen blussen, maakt de korpsoverste aan de inspecteur van het gebied en aan de Burgemeester een verslag over, volgens het voorgeschreven model.

Art.32 Vóór 1 september van elke jaar vraagt de korpsoverste rekenschap over al de diensten samen en maakt daarover een verslag op voor de gemeenteraad. Bij dit verslag voegt hij een omstandige opgave van het blus- en reddingsmaterieel met aanduiding van zijn onderhoudstoestand. Een afschrift van het verslag en van de bijlagen worden aan de inspecteur van het gebied overgemaakt.

Art.33 Eens per semester neemt het korps, in één der gemeenten uit de gewestelijke groep deel aan een onder de korpsen van de groep gecombineerde oefening, dit onder leiding van de gewestelijke brandmeester. Na deze oefening wordt onder de officieren een vergadering omtrent vakkundige onderwerpen geouden. De gewestelijke brandmeester zal aan de inspecteur uit het gebied, datum, uur, plaats en thema van deze oefening bekend maken.

Art.34 Dit reglement wordt aan de goedkeuring van de provinciegouverneur onderworpen.

Organisatie
Beroepskorps

Na de Tweede Wereldoorlog kwam men tot de bezinning dat, rekening houdende met de industrialisatie en de wederopbouw van de stad Mechelen (zij was meermaals het doelwit van zware bombardementen gezien de ligging van het Arsenaal en het Bommenkot in onze stad).

Een brandweerkorps op basis van enkel vrijwilligers was niet meer haalbaar. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd een nieuw brandweerkorps opgericht waarvan de kern bestond uit heel wat vrijwilligers van de vroegere tijden.

In 1967 verscheen een nieuw KB over de organisatie van de brandweer en de rampbestrijding in ons land. Hierin werden diverse bevoegdheden toegekend, niet alleen aan de Burgemeesters, maar ook aan de Provinciegouverneurs en de Minister van Binnenlandse Zaken.

Vanaf dat ogenblik kregen bepaalde brandweerdiensten een gewestelijke bevoegdheid en dienden zij in te staan voor de bescherming van naburige gemeenten.

In 1949 werd de basis gelegd van het huidig beroepsbrandweerkorps van Mechelen.
Lees ook ...
Generic placeholder image

De grote stadsbrand in Chicago (Illinois) in 1871. Het hele verhaal op:

The Great Chicago fire

Naast de beroepsbrandweer en ten einde deze in haar taak bij te staan, werd er in Mechelen een gemeentelijk vrijwilligerskorps opgericht. Dit bestond uit: 4 sergeanten, 4 korporaals en 24 brandweermannen. Dit korps werd bij voorkeur gevormd uit 16 manschappen uit het kanton Noord en 16 uit het kanton Zuid van de stad.