Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

Wederinrichtig der Vrijwillige Brandweer

Tot de stichting van een vast pompierskorps werd overgegaan in 1859. In de stad wordt een nieuw reglement opgesteld. Alle brandweerlieden zijn voortaan verplicht stadswerklieden of mensen die voor de stad werken.

Er worden voor het eerst vaste vrijwilligers door de stad aangeworven. De pompiers krijgen op dat moment hun eerste uniform; bestaande uit een lederen stormhoed, een gordelriem en een vest in tegenstelling met de vroegere brandweerlieden, die slechts heel oppervlakkig onderscheidingstekens droegen zoals een rode pluim of een armband. Het korps bestond toen uit 30 manschappen waaronder een bevelhebber en 5 brigadiers.

vrijwillige pompiers voor het stadhuisDe manschappen werden aangeworven onder de stadsmeesters. De wacht was gevestigd op de Grote Markt, daar waar later het nieuwe stadhuis werd opgetrokken. Het materiaal werd vermeerderd en verbeterd.

Vijf handpompen, met groter vermogen, ladders, wagens en ander materieel werden aangekocht, en de brandweermannen die bij alarm zich in de wacht verzamelden en er hun uniform aantrokken werden per “char a bancs” (stootkar) naar de brand gebracht. Aldus was een merkelijke verbetering ingevoerd, nochtans niet voldoende voor een grote stad als Mechelen.

Dit reglement bleef blijkbaar ongewijzigd in gebruik tot het einde van de 19e eeuw, toen men in het kader van een algemene tendens naar militarisme ging denken aan de oprichting van een gewapend pompierskorps.

Pompiers met lodderen aan hun lijf

In 1885 werd via een openbare affiche een oproep gedaan tot de bevolking van de wijk Nekkerspoel om zich vrijwillig te melden voor het brandweerkorps.

Er zijn veel klachten over onze pompiers, altijd komen de pompen te laat, drie kwart of een uur nadat de brand zich verklaarde. En als de pompiers dan willen blussen, wordt men gewaar dat het materiaal niet deugd en onbruikbaar is, de pompen werken niet of de slangen barsten. En inderdaad ons pompierskorps was verre van up-to-date zeker in vergelijking met veel steden van dezelfde grootte. De leden van de commissie waren het grondig eens en richtte haar onderzoek op drie voorname punten namelijk: is de huidige inrichting niet verouderd en welke middelen zijn nodig om ze te vernieuwen, welke verbeteringen moeten wij aan het materiaal en uitrusting aanbrengen en op welke wijze kan de dienst in geval van brand heringericht worden !!

Op 10 december 1897 interpelleerde het raadslid J.Van Hoorenbeeck het schepencollege onder volgende bewoordingen; die we voor zijn rekening laten: "er mag wel eens gedacht worden aan de pompiers welke tot altijd vergeten bleven, namelijk die van Nekkerspoel. Het is een schande voor de stad hoe deze pompiers aangestoten zijn, hun uitrusting bestaat uit lodderen die ik hier in de Halle moet bijeenzoeken, het is een echte voddenmarkt en ik herhaal dat het een echte schande is voor een stad als Mechelen.

korps van BattelWaarop ook raadslid Mertens het woord nam met volgende opmerking; ik roep ook de aandacht van de Raad op de toestand der pompiers van Battel die zijn nog honderd keer slechter gekleed dan die van Nekkerspoel, want die hebben zo goed als niets! Vijf maanden later, op 9 mei 1898, werd dan wel een krediet gestemd van 600 Belgische Frank voor aankoop van kleding voor deze pompiers, waardoor ze nu tenminste toch iets aan hun lijf hebben.

Men moet weten dat de stad toen over een 'Vrijwillig brandweerkorps' beschikte voor de binnenstad, maar ook op de wijken Nekkerspoel en Battel die elk hun eigen brandspuit hadden met een handpomp welke bewaard bleven op de koer van de gemeentescholen.

De leden van de Bijzondere Commissie waren het allen eens en stelde voor om in de stad Mechelen een "gewapend pompierskorps" samen te stellen, dit werd trouwens door een KB vastgelegd. Dit systeem bestond reeds in andere steden waaronder; Schaarbeek, Dendermonde en Doornik en wierp overal zijn vruchten af. In al die steden vormden de pompiers als het ware een keurkorps.

Het korps zou bestaan uit: kapitein-bevelhebber, luitenants, onderluitenants, twee geneesheren-officieren, onderofficieren, korporaals en pompiers in totaal 80 man. De pompiers werden in twee secties verdeeld, de ene sectie was belast met de dienst der brandspuiten, de andere had een orde-en politiedienst. Iedereen ging een verbintenis aan voor 5 jaar.

Ons brandweerkorps in voor hun toenmalige huisvesting in de Bauwenstoren van het stadhuis in de Hallestraat. Men ziet het wagentje met de opgerolde slangen, de schuifladder van 14 m, de handpomp met bel en nog een stootwagen met ladders; In het midden staat commandant Jacques De Coster, links van hem Lt. Paul Noëz welke De Coster opvolgde als commandant, rechts broer Louis Noëz. De tweede van rechts met lederen vest is Emiel De Coster, zoon van Jacques welke in 1945 commandant werd.

Bekijk de foto !

De pompiers hadden een werktenue, een touw met ijzeren haak en een bijl, ook hadden ze een uitgangstenue, deze laatste werd aangekocht op kosten van de pompiers zelf. De bewapening van de officieren was op hun eigen kosten.

De leden van het brandweerkorps werden ontslagen uit de Burgerwacht, men kon de twee niet combineren. De pompiers moesten niet alleen gewapend optreden tijdens plechtigheden en feesten, maar konden ook ingezet worden bij wanordelijkheden die echter niet zwaar genoeg waren om de Burgerwacht op te vorderen.

Hallestraat

Foto rechts: groepsportret van de brandweer met ladderwagen voor hun kazerne in de Bauwenstoren, onderdeel van het stadhuis, circa 1935, De Bauwenstoren stond op de hoek Hallestraat - Reuzenstraat en werd afgebroken in 1968. De foto is genomen vanuit de Desiré Boucherystraat. 

Er werd ook een hulpkas opgericht die de pompiers bij ziekte of geneeskundige verpleging gratis bijstand gaf. Een ander punt was de oprichting van kleine pompierskorpsen in verschillende wijken van de stad.

Voordien had het brandweerkorps van Nekkerspoel reeds zijn diensten bewezen. Er werden korpsen opgericht in de wijken van Battel, Hanswijk de Bercht en Hombeeksesteenweg.

De totale kosten voor deze herinrichting werden geraamd op 10.000 oude Belgische Franken. Deze grote verandering werd goedgekeurd in vergadering van 14 juli 1891 door de gemeenteraad onder leiding van Burgemeester Frans Broers.

Organisatie
Burgemeester Broers

François Jean Marie Ghislain Broers (Mechelen, 3 november 1837 – 16 november 1908) was een Belgisch advocaat en politicus voor de Katholieke Partij. François Broers stamde uit een Mechelse bierbrouwersfamilie en was de zoon van burgemeester en brouwer Eduard Broers.

Sus pompier

 

Hij was gemeenteraadslid (1876-1882 en 1884-1896) in Mechelen voor de Katholieke Partij. In 1881 won de Katholieke Partij de gemeenteraadsverkiezingen, maar de verkiezingen werden door de minister van Binnenlandse zaken Gustave Rolin-Jaequemyns (LP) ongeldig verklaard wegens omkoperij en ongeoorloofde druk op het electoraat (de katholieke bestendige deputatie had de klachten verworpen).

Bij de nieuwe verkiezingen in 1882 wonnen de liberalen en verloor Broers zijn zetel in de raad. De katholieke bestendige deputatie van Antwerpen verklaarde daarop de verkiezingen ongeldig maar botste op de minister van Binnenlandse zaken.

Broers werd opnieuw verkozen als gemeenteraadslid in 1884. De katholieke partij won deze verkiezingen en hij werd schepen (1885-1889) en burgemeester (1889-1896) van Mechelen.

Hij dankte zijn spotnaam "Suz Pompier" aan de reorganisatie van het Mechelse brandweerkorps die hij doorvoerde. Dit had volgens de liberalen 10 jaar aangesleept en had geresulteerd in een uitsluitend katholiek korps van officieren en onderofficieren.

Nuttige inks
Wist je dat?

Tijdens de gemeenteraad van 14 december 1888 die de begroting besprak voor 1889, werd er met reden geklaagd over de inrichting van het pompierskorps en van de dienst der brandspuiten. De manschappen werden aangeworven onder de stadsmeesters. De wacht was gevestigd op de Grote Markt, daar waar later het nieuwe stadhuis werd opgetrokken.