Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

De Burgerwacht als politieke biotoop

In het Frans 'Garde civique', was een Belgische militie die bestond van 1830 tot 1920.

In heel wat steden verliepen de septemberdagen van 1830 zeer woelig. Arbeiders vernielden machines en staken fabrieken in brand. In Mechelen bleef het rustig. Toch richtte de gemeenteraad uit voorzorg een burgerwacht op omdat het jonge België nog niet over een georganiseerd leger beschikte. Die bestond uit gewapende korpsen die in de wijken ingezet werden. Zij rekruteerden uit de gegoede burgerij en in de middenstand. De wachten waren gewone mensen met weinig of geen militaire training. Hun prestaties werden niet vergoed.

mobilisatie van de burgerwachtSamen met Nederlandse garnizoen stond de burgerwacht in voor de ordehandhaving. Bij een revolutie is het cruciaal wie de ordehandhaving en de politiemacht in handen heeft of krijgt. Zij deden er alles aan om van in het begin van de opstand eind augustus 1830 de aanvoerders van de burgerwacht te kunnen worden.

De meest bekende was Jean Joseph Vermeylen-Neeffs. Die was in de jaren 1826-1830 in de gemeenteraad zowat de oppositieleider tegen Oranje geweest, al was zijn kritiek op de koning heel wat milder dan bij de opposanten in de meeste andere Belgische steden.

Neeffs was een notabele Mechels-Antwerpse familie. Corneille Vincent Joseph Ghislain Neeffs (Mechelen, 5 april 1808 - 3 augustus 1879) was de eerste van deze familie die in de Belgische adel werd opgenomen. Vermeylen-Neeffs werd begin september 1830 kapitein-commandant van de burgerwacht en enkele weken later de eerste Belgische burgemeester van de stad. De revolutionairen vonden de burgerwacht zo belangrijk dat ze die in de grondwet van 1831 inschreven. Tot het begin van de twintigste eeuw waren hoge posities in de burgerwacht belangrijke erefuncties. De burgerwacht strooide weelderig met imposante militaire en medailes.

Vooral politici waren in de weer om voor zichzelf ronkende titels te vergaren. Burgemeester Florimont Denis (1823-1899) was kolonel. Schepen en voorzitter van de Antwerpse provincieraad. Hyacinthe Verhaeghen (1788-1859) was majoor. Schepen en provincieraadslid Egide Keitelaars (1802-1874) was luitenant-kolonel. Schepen Jules Nobels (1869-1944) was kapitein en secretaris. Echter door de minimale militaire ervaring en het legendarische gebrek aan discipline verloor de burgerwacht zijn positieve imago.

Bij de betoging voor enkelvoudig algemeen stemrecht in Leuven in 1902 werden door de burgerwacht zes betogers doodgeschoten. De regering besefte dat zij de ordehandhaving niet meer aan een slecht opgeleid vrijwilligerskorps kon toevertrouwen. In 1920 werden de burgerwachten door de regering op non-actief gezet. Zij leefden nog voort in de nostalgie op bijeenkomsten en in vriendenkringen. Daar pronkten de leden met hun uniformen, hun wapenuitrusting en hun medailles.

Pas in 1984 schrapte het parlement de burgerwacht uit de grondwet.

Toen in de septemberdagen van 1830 de opstand ontstond die zou uitmonden op het onafhankelijke België werden spontaan door de burgerij milities opgericht in een aantal steden, met de bedoeling de orde te handhaven, ongeregeldheden en plunderingen te verhinderen en ook voor sommigen onder hen, mee op te trekken tegen Nederland. In oktober 1830 besliste het Voorlopig Bewind de spontaan gestichte milities te erkennen en samen te voegen onder militaire leiding, om er een supplementair embryo van een Belgisch leger van te maken.

Het Voorlopig Bewind creëerde ook al op 19 november 1830 een 'Medaille van erkentelijkheid' om de leden van de militie te belonen. De gouden medaille, gegraveerd door Pierre-Joseph Braemt, had op de voorzijde een leeuw en op de achterzijde een lauwerkrans van laurier en eik aan de rechterkant, met de woorden Récompense Civique. Een succes werd het niet, want er werden slechts vijf medailles uitgereikt, waarvan één aan Emmanuel van der Linden d'Hooghvorst, de eerste commandant van de burgerwacht.

De Burgerwacht was georganiseerd op gemeentelijk niveau, oorspronkelijk in de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners. Zij was samengesteld uit burgers tussen 21 en 50 jaar, vooral jonge vrijgezellen en kinderloze weduwnaars, die geen deel uitmaakten van het leger. Afwijkingen en vrijstellingen konden worden toegestaan bij ziekten, misvormingen, verminkingen en de noodzaak om voor een gezin te zorgen. De missie van de militie luidde als volgt: de gehoorzaamheid aan de wetten behouden, de openbare orde en rust handhaven of herstellen, het waarborgen van de onafhankelijkheid van België en de integriteit van zijn grondgebied.

De burgerwacht bestond uit compagnieën met aan het hoofd een kapitein en verdeeld in drie bans. De eerste ban speelde een rol op nationaal niveau en was vooral bedoeld om de onschendbaarheid van het territorium te doen eerbiedigen. De tweede ban stond het leger bij, "zonder evenwel de provincie te verlaten". De derde ban bleef steeds ter plaats en zou niet te velde gaan. De standaarddienst bestond in het wacht optrekken en patrouilles uitvoeren voor de beveiliging van personen, het behoud van eigendommen en het handhaven van de openbare orde.

BurgerwachtDe gebeurtenissen in 1830 zorgden ervoor dat er een nood was aan ordehandhaving. Zo organiseerden de notabelen van Brussel, onder het bevel van baron d'HOOGVORST een "garde bourgeoise".

Op vele andere plaatsen ontstonden er soortgelijke bewegingen die zich "gemeentewacht" of "stadswacht" noemden. Het voorlopig bewind brengt arresten uit die deze groeperingen officieel maakt en ze verenigt onder de naam Burgerwacht.

  • 1° opdracht: waken over de toepassing van de wetten en handhaven van de algemene orde.
  • 2° opdracht: de onafhankelijkheid van België en zijn grondgebied vrijwaren.
  • De wacht wordt georganiseerd in iedere gemeente, in kleinere gemeenten worden eenheden per kanton gegroepeerd.
  • Alle gegradueerden worden verkozen.
  • De Wacht staat onder bevel van de minister van Binnenlandse Zaken, enkel in oorlogstijd komt de Wacht gedeeltelijk onder bevel van de Minister van Oorlog.
  • De Eerste Ban (alle mannelijke vrijgezellen en kinderloze weduwen tussen 21 en 30 jaar oud) wordt ingezet om de onschendbaarheid van het Belgisch grondgebied te vrijwaren.
  • De Tweede Ban (alle mannelijke vrijgezellen tussen 31 en 51) staat het leger bij in operaties op het grondgebied en neemt deel aan de verdediging van de strategische punten.
  • De Achterban (alle gehuwden) blijft steeds ter plaatse.
  • De Wachten moeten zich kleden op eigen kosten. De gemeente mag tot 2% van de bevolking kleden als deze laatste er zelf niet toe in staat zijn. De gemeente komt ook op voor de kosten van administratie en inwendige dienst.

Op 31 december 1830 voorziet een Koninklijk Besluit de vorming van formaties artillerie en cavalerie onafhankelijk van de infanterie in plaatsen met een zeker aanzien. De Wachten moeten zich kleden op eigen kosten. De gemeente mag tot 2% van de bevolking kleden als deze laatste er zelf niet toe in staat zijn. De gemeente komt ook op voor de kosten van administratie en inwendige dienst.

Na 1830-1831 viel de Burgerwacht in een diepe slaap. Er was geen reden of aanleiding meer om die burgermilitie op de been te houden. De gemeenten hadden er des te minder lust naar, daar de onkosten veroorzaakt door deze militie, ten laste van de gemeentekas vielen. Bij herhaling gingen verzoeken uit van gemeenten om de Burgerwacht af te schaffen.

Toen de hongeronlusten van 1847 uitbraken en toen in 1848 in Frankrijk de revolutie losbrak, oordeelde de regering van Charles Rogier dat de Burgerwacht nog een nuttige rol te vervullen had en blies in de stervende organisatie nieuw leven.

De basis hiertoe werd gelegd door de Wet van 8 mei 1848. Die reorganisatie toonde aan dat de liberale regering van plan was strak de teugels van deze organisatie in handen te houden en overal waar het maar enigszins kon, trouwe liberalen aan het hoofd te plaatsen. In Brugge bijvoorbeeld werd de liberale voorman Charles Devaux aan het hoofd van de Jagers-Verkenners (een liberaal bastion van ruiters, leden van de burgerij) bevestigd, terwijl zijn schoonbroer William Chantrell, voorzitter van de liberale partij in Brugge, als kolonel de opvolging nam voor de Burgerwacht (het voetvolk), van de katholieke Charles De Net. De kledij van de Burgerwacht, die bestond uit een bloes, wordt door de koning vervangen door een uniform gelijkend op dat van het lege (zie foto), dit volgens de wet van 8 mei 1848.

burgerwacht liedenNa de vrede van 1839 valt de Wacht zonder werk. De gebeurtenissen in Frankrijk in 1848 zorgen er echter voor dat alle gemeenten met een aantal inwoners hoger dan 3000 hun wacht moeten activeren. Op 13 juli 1853 verzwakt een nieuwe wet deze activatie en moeten gemeenten met meer dan 10.000 bewoners en de versterkte steden hun wacht actief houden.

De regering rekende er op dat de activiteiten die werden georganiseerd binnen de Burgerwacht (oefeningen, vergaderingen, feestmalen, excursies) een korpsgeest zouden scheppen die de liberale partij zou ten goede komen.

De gewapende manschappen oefenden op zondagmorgen (wat de kerkelijke overheid zeer mishaagde). De opgedane militaire ervaring bleef minimaal en het gebrek aan discipline was legendarisch. De bevolking nam deze paramilitaire organisatie nauwelijks au sérieux en bestempelde ze als 'operetteleger’ en de burgerwachters als ‘zondagssoldaten’.

Als ze in Brugge door de straten defileerden, riepen hun stadgenoten schertsend: We zijn gered. De garde civique van Brugge is daar. Behalve de militaire oefeningen werden de burgerwachters ingezet om als erewacht te dienen als er hoge gasten naar hun stad kwamen. Het gebrek aan activiteit betekende dan ook dat al vlug de Burgerwacht weer insluimerde. Nochtans, in sommige gevallen van oproer werd de Burgerwacht ingezet, onder meer bij stakingen die dreigden uit de hand te lopen. In enkele gevallen ging het er zelfs hard aan doen en werden schoten gelost, waarbij doden vielen. Dit was onder meer het geval in Charleroi (1886), Oostende (1887), Bergen (1893) en Leuven (1902).

Deze wet moest de Wacht een betere organisatie geven teneinde zijn dubbele opdracht beter te kunnen verzekeren.

Zo krijgt de burgerwacht in vredestijd de volgende taken opgelegd: Het patriottisme bevorderen, discipline aanleren en volgen, een betere militaire opleiding verkrijgen daar waar het mogelijk is, vooral bij de kaders.

Wat waren de taken van de Burgerwacht in oorlogstijd:

  • steun geven bij de verdediging van de versterkte steden
  • steun geven aan het leger, vooral in het tot stand brengen van de verbindingen tussen de eenheden. En het leveren van de wachten aan bepaalde posten.

In de praktijk echter was dit alles een farce, officieren die gekozen werden brachten meer tijd door in kroegen dan bij hun manschappen. De opleiding was dus niet echt verzekerd.

De Wacht was zeker niet in staat het tweede deel van de opdracht tot een goed einde te brengen. Het loste wel de verwachtingen in bij het handhaven van de orde, ondermer bij de conflicten tussen de heersende politiek en de arbeidersbeweging.

kledij van een burgerwachtBij de aanvang van de vijandelijkheden in 1914 had de Burgerwacht zijn beste tijd gehad en betekende niet veel meer. Toch werden de ongeveer 45.000 leden die er op papier nog deel van uitmaakten, onder de wapens geroepen. Het was de bedoeling dat ze voor de handhaving van de orde zouden zorgen.

De Duitsers beschouwden die troepen echter niet als militairen, maar als franc-tireurs of vrijschutters, die zonder meer konden worden doodgeschoten. In de meeste steden verdwenen de burgerwachten dan ook geruisloos.

Enkele korpsen uit Luik, Brussel en Oost-Vlaanderen volgden het leger naar de IJzer en namen deel aan sommige militaire operaties. Op 13 oktober 1914 werden ze definitief naar huis gestuurd. Na de oorlog ondernam de Belgische overheid geen pogingen meer om deze organisatie nieuw leven in te blazen.

Op 17 juni 1920 plaatste een Koninklijk Besluit alle eenheden van de Burgerwacht op non-actief. Ze werden nooit meer opnieuw opgeroepen. Het enige wat gedurende een paar decennia nog overbleef waren hier en daar vriendenkringen van voormalige burgerwachters, die de nostalgie in leven hielden naar die gezellige bijeenkomsten, waar vrolijk gedronken werd, soldaatje werd gespeeld en de herinnering aan vroegere 'heldendaden' werd opgeroepen.

 

Garde Civique

Burgerwacht van Mechelen

Op de foto hiernaast: groepsportret van de officieren van het Mechels korps op het einde van de negentiende eeuw. Het Mechels korps telde drie eenheden of "bannen".
In 1894 telde het 828 mannen, onder wie 43 officieren, 47 onderofficieren en 3 dokters.

We herkennen van links naar rechts op de achterste rij: als derde dokter Tambuyzer, eerste Luitenant-geneesheer, en als vijfde Kapitein Verdonck, die aan de Van Benedenlaan woonde.

Verder zijn op deze rij nog afgebeeld (maar de juiste volgorde is niet bekend) Onderluitenant R.Tambuyzer, Kapitein Jean Steenbackers, Onderluitenant Van Sintfliet, Onderluitenant Van Peteghem en twee onbekenden.

Op de voorste rij staan Onderluitenant Boey (hij woonde op de Lange Heergracht) en Kapitein Peeters, oud-bankdirecteur aan de Bruul, en zitten Majoor Georges Lecomte en Kapitein Van de Mert.

Burgerwacht in parade op de Grote marktParadeleger

Dit burgerleger was een aanvulling op het bescheiden Belgisch leger en moest onder meer eventuele opstanden van de 'Oranje bezetters', onderdrukken en plunderingen voorkomen.

De Burgerwacht evolueerde geleidelijk naar een paradeleger. De Mechelse afdeling beschikte sinds zelfs over een eigen muziekkorps.

De gewichte heren die hier poseren behoorden tot de staf van het Mechels burgerleger. Hun gestalte en hun houding etaleren hun fysieke conditie. Dit koprs dankte haar legitimatie aan haar politioneel en militair optreden tijdens de nadagen van de Belgische revolutie, toen er in onze gewesten een machtsvacuüm dreigde.

Om hun bezttingen te vrijwaren en orangistische opstootjes te smoren, hebben ook de Mechelse notabelen een plaatselijke militie gevormd. Zoals elders ontaardde de burgerwacht in een paradedeleger dat bij officiële plechtigheden grote sier maakte, maar in werkelijkheid weinig betekende.

Organisatie
Florimont Denis

Florimond Henri Antoine Denis (Mechelen, geboren op 29 augustus 1823 en overleden aldaar op 30 januari 1899), was een Belgisch advocaat en politicus voor de Liberale Partij.

Hij werd burgemeester van Mechelen na de gemeenteraadsverkiezingen van 1895 de eerste volgens het algemeen meervoudig stemrecht.

Burgemeester Florimont Denis

 

Nadat deze verkiezingsuitslagen waren vernietigd na een klacht van de Katholieke Partij won hij ook de verkiezingen van 1896.

Hij volgde in deze functie François Broers op. Denis bleef burgemeester tot zijn overlijden in januari 1899 en maakte aldus de verkiezingsnederlaag van oktober 1899 niet meer mee. hij werd opgevolgd door Edouard De Cocq.

Tevens was hij bevelhebber van de burgerwacht en rechter van de stad Mechelen sinds 1884, zijn paradedegen bleef bewaard in de stadscollectie.

Op de foto onderaan: ziet u een afdeling van de Mechelse burgerwacht, alias de 'gardeciviek' ('garde civique') die marcheert op de Grote Markt.

Op de achtergrond: het toenmalige stadhuis, Den Beyaert, vandaag in gebruik als postgebouw. 'Straatjeugd' en omstaanders kijken toe.

Foto's van manifestaties van de burgerwacht, ook in andere steden, tonen vaak nieuwsgierige en geamuseerde kinderen die deze 'burgersoldaten' vergezellen. Dit lijkt de toenmalige reputatie van de burgerwacht als 'garde comique' te bevestigen.

De geschiedenis van de Mechelse burgerwacht was roemloos. De burgerwachten zochten en vonden allerlei drogredenen om zich aan de oefeningen en appèls te onttrekken. Verder was er een opvallend gebrek aan discipline. De 'garde civique' werd puur folklore.

In totaal waren er midden 1831 in Mechelen ongeveer 2800 mannen dienstplichtig als burgerwachten, ingedeeld in drie compagnies. Alleen de eerste compagnie kon in geval van oorlog worden ingezet.

Hier maakte uitsluitend ongehuwde mannen en weduwnaars zonder kinderen tussen 21 en 30 jaar van deel van uit.

De burgerwachten werden door de koning ontbonden in 1920.
Nuttige links
Wist je dat?

Tijdens de semptemberdagen van 1830 (tijdens de Hollandse bezetting) werd een burgerwacht opgericht en bij wet van 31 december 1831 geofficialiseerd. In totaal waren er in Mechelen ongeveer 2800 mannen dienstplichtig als burgerwachten, ingedeeld in drie compagnies.