Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

Oude reglementen ... het prille beging

In Mechelen werden zoals elders mensen van goede wil gevonden die bereid waren hun medeburgers te helpen bij brandrampen. Op het einde van de 18e eeuw bestond er een reglement waarin alle burgers, maar in het bijzonder de stadsmeesters zich moesten onderwerpen.

In feite is hier nog geen sprake van een echt brandweerkorps, daar als verplichte brandweerlieden alle stadswerklieden optreden, aan het hoofd stond de stadsbouwmeester. Verder zijn alle occasionele vrijwilligers welkom.

Art.16 van dit reglement luidde: alle metsers, schaliedekkers, timmerlieden zijn verplicht op straf van boete, zich bij brand onmiddellijk naar de plaats van het onheil te begeven, om het vuur te helpen blussen.

Opvallend is wel dat, vooraleer er een korps van beroepsbrandweerlui tot stand kwam, het materiaal zowat overal in de stad verspreid werd bewaard, waaronder ook in kloosters. Pas vrij laat, in de 18e en 19e eeuw ging men meer en meer centraliseren, met name in de stadshallen van het stadhuis, later de Bauwenstoren in de Hallestraat. (deze werd afgebroken in de jaren zestig)

Mechelen op 10 februari 1787

Door Ch. Wouter Geerts werden deze hulpmiddelen voor het bestrijden van het vuur publiek kenbaar gemaakt.

handpompIn de stadshalle naast den amigo (huidig stadhuis), zijn drie grote brandspuiten met vier koperen stralen, vijf lederen darmen in vier kuipen met een mand, drie houten trefters om het water in de tonnen te gieten en negendertig lederen emmers.

Naast de diviesiestal op de Grote Markt staan er twee handspuiten en een kleine trekspuit met drie koperen stralen en een lederen darm in een mand. In de Minderbroedersgang staat er een koperen brandspuit en een kar met ywee grote waterkuipen en dertig lederen emmers.

Oprichting

Op 25 februari 1822, onder Nederlands bewind, werd te Mechelen het eerste brandweerkorps ingericht. Het bestond uit 6 vaste bedienden die onder het bevel stonden van de bouwmeester-ingenieur van de stad. Als materiaal beschikte men over 3 handpompen met elk 2 bedienaars: één lanshouder of spuitgast en één helper. Deze pompen konden amper 200 liter per minuut verzetten. De slangen waren slechts 7 m lang.

Hoe brandalarm gegeven werd

Rode vlag op de Sint Romboutstoren bij brand en onheil

Zodra de torenwachter, die steeds op uitkijk stond een brand bemerkte, moest hij aan de 4 hoeken van de toren “brand” blazen. Viel dit voor overdag, dan stak hij ook een rode vlag uit in de richting van de brand. ’s Nachts werd een brandende lantaarn uitgehangen aan een lange spar. In de hoofdkerk werd de brandklok geluid (hij die bij brand de torenklok liet luiden voor dat de torenwachter geblazen had, kreeg hiervan een premie van 6 gulden, welke door de torenwachter zelf moest betaald worden.

In de parochiekerk van de wijk waar de brand ontstaan was, werd er eveneens brand geroepen. De nachtwakers en politiebedienden liepen door de straten al roepende “brand, brand” en verwittigden de “opperbrandspuitmeester”, de burgemeester, de vaste bedienaars en al wie onder toepassing viel van het brandreglement moesten zich naar de stadshalle spoeden en zich met de werktuigen, spuiten en ladders naar de plaats van de ramp begeven.

Bij brand stond heel de stad in rep en roer. Riep men "brand, brand ! "dan trad een niet meer te stoppen burgerlijk automatisme in gang. Een soort rampenplan avant la lettre. Iedere burger wist wat hij moest doen.

Een hele rits ambachtslui stoof naar de plaats van het onheil dat reeds was aangegeven door de torenwachters die de rode vlag op de Sint-Romboutstoren uithingen in de richting van de brand. 's Nachts gebruikte men daarvoor een lantaarn. De trompetters bliezen hun longen leeg, terwijl de brandklok begon te beieren.

De “Karremans” (personen die een kar hadden), vrachtvoerders, mestrapers en andere werklui, moesten dadelijk met hun paarden naar het brandspuithuis (kazerne) rijden om het blusmateriaal te vervoeren.

Als er geen paarden waren, trokken de burgers of werklieden het blusmateriaal zelf ! Hiervoor betaalde men hen gezamenlijk 3 gulden. In de straat waar de brand was uitgebroken en in de 4 aanpalende straten, moesten al de bewoners hun luiken sluiten en bij nacht langs buiten licht laten branden.

Ondertussen hadden de burgers in de omgeving van de brand, kaarsen, lantaarns, olielampen ontstoken zodat de aanrukkende brandweer en al de opgeroepen en gemakkelijk de weg tot de plaats van het ongeluk zouden kunnen vinden. Aan de huizen hadden de mensen reeds kannen, emmers, kuipen geplaatst en voorzien van water, voor zover ze die vlug konden vullen. Water kon men halen uit de Dijle, de vlietjes, de bornputten en de verschillende handpompen die toen al volop dienst deden. De brandweer moest ondertussen hun mannen weten te verzamelen om zo snel als mogelijk op de plaats van de brand te geraken.

Er werd geld gegeven aan burgers om de pompen mee te helpen duwen. Immers een deel van de pompiers moesten emmers en ladders vergaren die op verschillende plaatsen in de stad opgestapeld lagen. Eens ter plaatse gaf de opperbevelhebber, getooid met de rode veer, de instructies hoe er moest geblust worden. De brandslangen werden voorzichtig uitgerold en de bedienaars moesten zorg dragen dat die worsten, zoals ze dat toen noemden, niet in een knik lagen en goed aangesloten waren met de waterkuip.

Men had veel water nodig. Daarom moesten de mestrapers, de hoveniers, de voerlieden en de kordewaegenaers met hun wagens en paarden water aanvoeren die ze in tonnen aanbrachten. Die tonnen konden ze krijgen van de brouwers. De eerste twee tonnen water brachten 3 gulden op.

lederen emmerDe wateraanvoer mocht niet onderbroken worden. Men maande de burgers aan mee te helpen blussen, hetzij met het aanbrengen van water of met de brandweerlui vrijwillig bij te staan.

Immers aanpalende woningen probeerde men tegen de vlammen te beschermen door natte doeken en zeilen aan te brengen. Het was een heel schouwspel, zelfs de bestuurders van de stad hielpen mee in het uitdelen van raad en aanwijzingen terwijl de politie moeders en kinderen op afstand hielden. Inboedels werden opgeslagen in een woning of magazijn op veilige afstand van de brand. Burgers waren verplicht hun huis of magazijn ervoor ter beschikking te stellen en voor de bewaring van de goederen in te staan.

Waar men de dag vandaag een brand met volle vertrouwen overlaat aan de professionele brandweer, lag de situatie toen anders. Iedere burger spande zich in om de vuurhaard snel te blussen. Bij uitbreiding van de brand liep eenieders huis gevaar en kon de stad in een totale ramp verzeild geraken.

De huizen hadden geen nummers maar namen

In een middeleeuwse stad hadden de straten wel een naam, maar de huizen geen nummer. De meeste huizen hadden echter een naam.Sommige van deze huisnamen gaven dan weer de naam aan de straat of het straatje waar ze zich bevonden. Schaalstraat, Geitestraat, Blauwehondstraat, Borzestraat, respectievelijk afgeleid van de huisnamen; De Schaal, De Geit, De Blauwen Hond en de Borse. Een tocht door de Mechelse straten laat zelfs thans nog toe vele huisnamen te ontdekken. Op de Grote Markt zien we nog: huis nr.2 In het Haentien uit 1773.

Op de geveltop prijkt nog steeds een verguld haantje. Huis nr.6 In den Boer ‘a La Mode waarvan de naam nog steeds boven de toegangsdeur prijkt. Huis nr.13 heette in 1559 De Kat, werd in 1661 herbouwd door apotheker Van Orssaegen en in 1905 grondig gerestaureerd. Ook op de Ijzerenleen is een ware schat aan huisnamen en -tekens te ontdekken. De meetste huizen werden er na de Eerste Wereldoorlog, weliswaar in oude stiijl herbouwd.

Organisatie
Zes wijken in de stad

De stad werd toen in zes wijken verdeeld. De 1e eerste wijk liep vanaf de Hoogbrug (Noordkant) langs de Dijle tot aan de Antwerpsepoort, vandaar de Katelijnestraat, Onder de Toren, Steenwegstraat terug tot aan de Hoogbrug.

2e wijk vanaf de Hoogbrug (Zuidkant) langs de Dijle tot aan de Winketbrug, Olivetenvest tot aan de Brusselpoort, Hoogstraat, Graanmarkt, Guldensraat tot aan de Hoogbrug.

3e wijk liep vanaf de Zoutwerf Guldenstraat, Graanmarkt, Hoogstraat, tot Brusselpoort, vandaar via Van Benedenlei, Kardinaal Mercierplein, Egmontstraat tot aan de Fonteynbrug, de Dijle terug tot de Zoutwerf terug naar de Hoogbrug. (buitenwijk Brusselsesteenweg)

4 e wijk vanaf Hoogbrug (Noordkant), langs de Schipstraat de Dijle volgen tot aan de Watermolen, Zandpoortvest, Zwartzustervest tot de Bleekstraat, via de Blokstraat, Veemarkt, Befferstraat tot aan het stadhuis. (buitenwijk Nekkerspoel)

5e wijk vanaf de Blokstraat, Zwartzustervest, terugkomend St. Katelijnestraat tot aan de Wollenmarkt, vandaar de Schoolstraat, Merodestraat, lange Heergracht tot aan de Blokstraat. (buitenwijk Liersesteenweg)

6e wijk vanaf de Vaartbrug langsheen de vaart tot de hoek met de Statiestraat, Raghenoplein, de Dijle volgen tot aan de Vijfhoek, via de Egmontstraat en Kardinaal Mercierplein. (buitenwijk Tervuursesteenweg)

Het huis De Ster, Guldenstraat 4-6, is vermoedelijk het oudste woonhuis in Mechelen. Het werd reeds vermeld in 1477. Vanaf 1485 tot omstreeks 1800 was er het ambachtshhuis van de brouwers ondergebracht.
Nuttige links
Wist je dat?

Het oudst bewaarde reglement uit de 19 eeuw is dat van 1822, dat een aanpassing was van een verouderd maar verloren reglement uit 1807. Op 25 februari 1822, onder Nederlands bewind, werd te Mechelen het eerste brandweerkorps ingericht. Het bestond uit 6 vaste bedienden die onder het bevel stonden van de bouwmeester-ingenieur van de stad.