Spectaculaire branden in de Mechelse geschiedenis

De eerste brand waarvan de herinnering te Mechelen bewaard bleef is die van 21 januari 1311.
's Vrijdags voor St. Pauwelsdag op het begijnhof buiten de poorten. Diegenen die hadden helpen blussen door het dragen van tonnen en emmers of het scheppen van water, kregen van stadswege een beloning.

Enkele jaren later op de oktaafdag van de H. Drievuldigheid 10 juni 1319 brandde het buiten de Adegempoort.

Daar het duidelijk om misdadig opzet ging en meer bepaald vanwege zgn. Wolfaarden, werden de slachtoffers Jan Kerkene, Jan Van Scapelle en Lambrecht van Vlaminck door de stad vergoed voor hun verwoeste woningen.

Tot daar de allereerste branden waarover te Mechelen iets geweten is. Zodoende komen wij al snel bij de misschien wel meest spectaculaire brand die hier ooit plaatsvond, nl die van sacramentsdag 9 mei 1342 toen brand ontstond over de Dijle, meer bepaald in de Adegemstraat.

Daar de stad nog vrijwel geheel uit houten huizen bestond en er een stevige wind stond, verspreidde het vuur zich bliksemsnel en sloeg zelfs over de rivier.

Vrijwel de gehele stad werd in de as gelegd op de St Katelijneparochie na zeggen sommigen, anderen beweren dat het slechts om één derde van de stad ging. In elk geval ging het om een ramp. Nog in de 14e eeuw is ons een geval van "moordbrand" bekend. Een opzettelijke brandstichting door een zekere Skupers, in de "Nauwenbruel" huidige Désiré Boucheriestraat op 4 januari 1398.

ZandpoortDe nacht van 6 op 7 augustus 1546. Mechelen, hoofdstad der Nederlanden wordt opgeschrikt. Een van de stadspoorten, de Zandpoort vliegt door een blikseminslag in brand.

Ze wordt al geruime tijd gebruikt als opslagplaats van buskruit. De verschrikkelijke explosie die op de brand volgt, vernielt ruim 800 woningen en eist 200 mensenlevens.

Waarschijnlijk ging ook het Schepenhuis in de vlammen op, want de registers van voor die periode zijn allen verloren, alleen de stadsrekeningen bleven bewaard.

Een ander blijkbaar vrij belangrijke brand vond plaats in november 1574 toen er zulk een verwarring ontstond dat de Magistraat zich verplicht zag, 's anderendaags (19 november) een ordanantie te laten publiceren waarbij eenieder binnen de 24 uren verplicht werd, op straffe van "arbitraire correctie" alle emmers, kuipen en ladders, gebruikt bij het blussen, maar ook alle uit de brand geredde goederen aan de rechtmatige eigenaars terug te bezorgen.

Sommige branden hadden naast tragische ook groteske gevolgen. Zo de brand van 23 november 1742 die 's avonds rond 7 uur ontstond op het Groot Begijnhof binnen de stad. Onmiddellijk werd met trommels en klokken alarm geslagen. Op dat ogenblik bevonden wij ons echter in volle Oostenrijkse Successie oorlog met Frankrijk en het keizerlijk garnizoen dat deze seinen niet kende, meende dat de Fransen in aantocht waren en sloegen op de vlucht.

Met het einde van de 18 de eeuw en de stillaan opkomende industrialisatie ziet men ook de eerste industriële brand opduiken, nl in de hoedenfabriek van Constantius van den Niewehuyse, achter 't Vleeshuis op de Ijzerenleen in 1781.

De brand van de watermolens op 20 september 1823

WatermolensWaar vandaag de Volmolen in Mechelen een beetje eenzaam uitkijkt op een overgebleven stukje Dijle, woedde ruim 180 jaar geleden een brand die het hele watermolencomplex zwaar beschadigde. Door de talrijk ter hulp gekomen burgers en soldaten van het garnizoen konden de grote sluis, de graanmolens en enkele smoutmolens van het vuur gered worden.

De oorzaak van de brand kon men niet direct achterhalen, maar sommigen vermoedden dat het vuur was ontstaan in een slecht onderhouden zaagmolen. Vandaag staat op deze plaats enkel nog de Volmolen. Links bemerkt men de koepel van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Hanswijkbaseliek.

Links is ook de oude verdedigingstoren, alias het Ketenhuis of Kettingshuis, goed zichtbaar. Van daaruit kon met een ketting de Dijle afgesloten worden. De sluizen konden ook de omliggende weidelanden onder water zetten, waardoor mogelijke vijanden de stad aan deze zijde niet konden benaderen.

 

Bijnaam voor de heren van Borsele in Zeeland en van Maelstede bij Kortrijk, waarmee de Mechelaars in de eerste helft van 14de eeuw een serieuze vete hadden uit te vechten.