Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

Spectaculaire branden in de Mechelse geschiedenis

De eerste brand waarvan de herinnering te Mechelen bewaard bleef is die van 21 januari 1311. 's Vrijdags voor St. Pauwelsdag op het begijnhof buiten de poorten. Diegenen die hadden helpen blussen door het dragen van tonnen en emmers of het scheppen van water, kregen van stadswege een beloning.

Enkele jaren later op de oktaafdag van de H. Drievuldigheid 10 juni 1319 brandde het buiten de Adegempoort. Daar het duidelijk om misdadig opzet ging en meer bepaald vanwege zgn. Wolfaarde, werden de slachtoffers Jan Kerkene, Jan Van Scapelle en Lambrecht van Vlaminck door de stad vergoed voor hun verwoeste woningen.
Tot daar de allereerste branden waarover te Mechelen iets geweten is.

Grote stadsbrand van 1342

stadsbrand in 1342Op 29 mei 1342 werd Mechelen geteisterd door een grote brand. Deze stadsbrand werd beschouwd als één van de grootste rampen, naast de ontploffing van de Zandpoort.

De stadsbrand van 1342 ontstond in de Veluwestraat in Mechelen (sommige bronnen spreken van de Adegemstraat) en verspreidde zich, door de toen aangaande felle wind, razendsnel door de binnenstad. Deze ramp kon enkel gebeuren omdat er, in die periode, nog vele huizen waren opgetrokken in hout en hierdoor brandden als toortsen.

In totaal gingen er een 800 woningen in vlammen op.

De route van de vlammen ging van de Veluwestraat richting de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijleparochie. Vandaar verspreidde het vuur zich naar het lager gelegen gebied van de Sint-Pietersparochie. Het vuur doofde uiteindelijk een tweetal dagen later in de buurt van de Sint-Janstraat.

Niet enkel de huizen van burgers gingen in de vlammen op of werden deels in de puin gelegd. Het patershof deelde in de klappen, net zoals het Sint-Julianusgasthuis (Passantengasthuis) en de Sint-Romboutskathedraal (het gehele dakgebinte werd door de vlammen verteerd). Vermoedelijk werd de eerste Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk ook verwoest want vanaf het jaar 1400 werd er gestart met een nieuwe bouwcampagne. Deze campagne hield de constructie in van het onderste deel van de toren, net zoals de flankerende zijbeukgevels en de ingebouwde westelijke middenbeukzuilen. Later volgden er dan nog een tweede en derde torengeleding.

De Gevolgen

Eén van de gevolgen van de stadsbrand was dat de overheden de cijnzen verlaagden zodat de burgers aan de weeropbouw konden beginnen. Huis “De Pelicaen” op de IJzerenleen was één van de eerste huizen die herrees uit het puin. Een ander gevolg was dat de bouwwerkzaamheden aan de lakenhalle werden stilgelegd. De toenmalig geplande belforttoren, die het latere stadhuis zou sieren, werd hierdoor nooit uitgevoerd.

Na de stadsbrand van 1342 werd het schip van de Sint-Romboutskathedraal vergroot en werd het koor, tussen 1342 en 1375, in zijn geheel opnieuw opgetrokken. Tijdens de wederopbouw weken de kanunniken uit naar de Katelijnekerk om er de mis op te dragen.

Vrijwel de gehele stad werd in de as gelegd op de St Katelijneparochie na zeggen sommigen, anderen beweren dat het slechts om één derde van de stad ging. In elk geval ging het om een ramp. Nog in de 14e eeuw is ons een geval van"moordbrand" bekend. Een opzettelijke brandstichting door een zekere Skupers, in de "Nauwenbruel" huidige Désiré Boucheriestraat op 4 januari 1398.

WatermolenDe nacht van 6 op 7 augustus 1546. Mechelen, hoofdstad der Nederlanden wordt opgeschrikt. Een van de stadspoorten, de Zandpoort vliegt door een blikseminslag in brand.

Ze wordt al geruime tijd gebruikt als opslagplaats van buskruit.
De verschrikkelijke explosie die op de brand volgt, vernielt ruim 800 woningen en eist 200 mensenlevens.

Waarschijnlijk ging ook het Schepenhuis in de vlammen op, want de registers van voor die periode zijn allen verloren, alleen de stadsrekeningen bleven bewaard.

Een ander blijkbaar vrij belangrijke brand vond plaats in november 1574 toen er zulk een verwarring ontstond dat de Magistraat zich verplicht zag, 's anderendaags (19 november) een ordanantie te laten publiceren waarbij eenieder binnen de 24 uren verplicht werd, op straffe van "arbitraire correctie" alle emmers, kuipen en ladders, gebruikt bij het blussen, maar ook alle uit de brand geredde goederen aan de rechtmatige eigenaars terug te bezorgen.

Sommige branden hadden naast tragische ook groteske gevolgen. Zo de brand van 23 november 1742 die 's avonds rond 7 uur ontstond op het Groot Begijnhof binnen de stad. Onmiddellijk werd met trommels en klokken alarm geslagen. Op dat ogenblik bevonden wij ons echter in volle Oostenrijkse Successie oorlog met Frankrijk en het keizerlijk garnizoen dat deze seinen niet kende, meende dat de Fransen in aantocht waren en sloegen op de vlucht.

Op het einde van de 18e eeuw en de stillaan opkomende industrialisatie ziet men ook de eerste industriële brand opduiken, nl in de hoedenfabriek van Constantius van den Niewehuyse, achter 't Vleeshuis op de Ijzerenleen in 1781.

Oude Tijden
20 september 1823

Waar vandaag de Volmolen in Mechelen een beetje eenzaam uitkijkt op een overgebleven stukje Dijle, woedde ruim 180 jaar geleden een brand die het hele watermolencomplex zwaar beschadigde.

Door de talrijk ter hulp gekomen burgers en soldaten van het garnizoen konden de grote sluis, de graanmolens en enkele smoutmolens van het vuur gered worden.

De oorzaak van de brand kon men niet direct achterhalen, maar sommigen vermoedden dat het vuur was ontstaan in een slecht onderhouden zaagmolen.

Vandaag staat op deze plaats enkel nog de Volmolen. Links bemerkt men de koepel van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Hanswijkbaseliek.

Links is ook de oude verdedigingstoren, alias het Ketenhuis of Kettingshuis, goed zichtbaar. Van daaruit kon met een ketting de Dijle afgesloten worden.

De sluizen konden ook de omliggende weidelanden onder water zetten, waardoor mogelijke vijanden de stad aan deze zijde niet konden benaderen.

Stadswapen

Het Mechels stadswapen gaat in zijn huidige versie terug op het familiewapen van de Berthouts, tussen omstreeks 1200 en 1300 de heren van Mechelen.

Mechels stadswapenschild

 

In 1490 kreeg Mecheen vanwege keizer Frederik III een vermeerdering van het stadswapen: een gouden hartschild met een zwarte éénkoppige adelaar. Mechelen werd zelfs verheven tot een graafschap, een titel die nooit werd gebruikt.

Sindsdien voerde men de spreuk "In Trouwen Vast". Om taalproblemen te voorkomen wed deze spreuk in de negentiende eeuw in het Latijn vertaald als "In Fidé Constans".

Over de Mechelse stadskleuren deden en doen allerlei verhaaltjes de ronde: bij het blussen van de maan in de nacht van 27 op 28 januari 1687 trok de burgemeester in allerijl twee verschillende kousen aan, een gele en een rode.

Na de gemeentefusie van 1 januari 1977 kreeg het nieuwe Mechelen ook een nieuw wapenschild.
Nuttige links
Wist je dat?

Ondanks zeer uitdrukkelijke voorschriften van adelijke heren en stadsmagistraten, met betrekking tot de brandpreventie bij het bouwen van huizen, hield de bevolking zich daar niet aan. In 1268 en 1278 had Wouter Berthout III heer van Mechelen, reeds verboden de daken met stro te bedekken, alleen leien of tegels mochten gebruikt worden.

>