Napoleon en Willem I

Alle Franse wetten en instellingen werden nu ook in deze Belgische gewesten van kracht. Dit was ondermeer het geval met het Decreet van 7 Pluviose, jaar V dat de wetten van 16 en 24 augustus 1790 van toepassing maakte in België.

decreten van NapoleonDeze stelden dat het tot de gemeentelijke taken behoort art.3 : De politietaken, en de zorg om door gepaste maatregelen te nemen brand te voorkomen. De gemeente kreeg hierdoor de wettelijke plicht per gemeente brandweerkorpsen op te richten. Maar dat deden ze lang niet meteen.

Pas in het jaar VIII van de Republiek (1800) richtte de gemeenteraad van Brussel op uitdrukkelijk verzoek van de prefect van het Departement Dijle (de voorlopers van onze huidige provincie-gouverneurs) een 100 man sterk brandweerkorps op dat gewapend en beroeps was.

Het was dus de politie-brandweer. Op 8 mei 1804 werd te Gent, naar het voorbeeld van Brussel een 'Garde Muncipale' een soort (Burgerwacht) opgericht. Deze 'Garde Muncipale' werd in 1805 vervangen door een 'Compagnie de la Rèservè, die naast het blussen van branden ook nog de wachtdienst in de gevangenissen en in de prefectuur moets verrichten. Te Gent werd op 2 februari 1809 de 'Gardes-pompiers' opgericht, dat zich zowel als het vorige orgaan met politie en brandweer zou bezighouden.

Onder het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) zou er niet veel wezenlijks veranderen. Willem I nam de organisatie van Napoleon over. Hij versterkte ze hier en daar. In 1822 werd te Luik een nieuw reglement van kracht waardoor een compagnie van 35 wachters brandweermannen kon worden ingezet. ze kregen de speciale opdracht om, naas het verwittigen bij en het bestrijden van brand, tevens te waken over de orde onder het publiek en over de openbare en privè eigendommen. We komen stillaan in het bourgeois-tijdperk.

Onafhankelijk België

Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tegen het Hollands bewind werden overal in België Burgerwachten opgericht. Ze waren vooral bedoeld om oproer van de Orangisten (voorstanders van het Koninkrijk der Nederlanden) en van stakende en morrende arbeiders te bestrijden. Dit was ook het geval in Mechelen.

Binnen de overal opgerichte Burgerwachten groeide vaak en op vele plaatsen een echte brandweer. Dit was het geval te Doornik, Borgerhout, Pèrulwez, Chimay, Laken en Virton. Deze Burgerwacht zou in de loop van de 19e eeuw een kwade reuk krijgen. Zij bestond uit gegoede burgerij en trad vooral op bij stakingen tegen arbeiders. Zo kon de Burgerwacht ook beslissen waar eerst hulp werd geboden, en dat was natuurlijk aan de industrieën en de eigenaars van huizen.

Begische gemeentewet van 1836

BurgerwachtIn deze werd voorzien in de oprichting van gewapende brandweerkorpsen, onafhankelijk van de Burgerwacht, en ook in ongewapende brandweervrijwilligers. Deze mogelijkheid bestond letterlijk alleen in grote gemeenten en steden. De overgrote meerderheid van deze korpsen werd uitsluitend gevormd uit vrijwilligers, wat ook vandaag nog seeds het geval is.

Er waren gemeenten die over geen brandweer beschikten. Deze moesten bij brand een beroep doen op de korpsen van de naburige gemeenten, wat tijdverlies tot gevolg had en totaal inefficiënt was.

Na de Eerste Wereldoorlog werden op 17 juni 1920 de Burgerwachten afgeschaft. In acht gemeenten bleef het brandweerkorps daarvan bestaan : te Doornk, Anderlecht, Molenbeek, Izegem, Lauwe, Temse, Wevelgem en Jemelle.

Uiteindelijk werd op 15 maart 1935 een wet van kracht die met het oog op het uitbreken van een eventuele oorlog, de bescherming van de burgerbevolking in tijd an oorlog tot doel had.

Er zou een vlotte organisatie komen van de brandweer; deze zou beschikken over modern materieel en de districten van hun operaties zouden nauwkeurig worden vastgelegd.

Door deze wet werden de gemeenten verplicht een brandweer te hebben en zoniet zich te verstaan met een aangrenzende gemeente die snel kon uitrukken. De wet voorzag echter niet in sancties tegen de gemeenten die zich onbezorgd gedroegen en steeds maar een beroep deden op anderen. Financieel werd deze toestand ook onhoudbaar voor gemeenten met een brandweer.

Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, bleek dat de wet van 1935 slechts gedeeltelijk was uitgevoerd. Tijdens de bombardementen op steden, werd nog maar eens bewezen hoe gebrekkig het merendeel van de brandweerkorpsen was uitgerust. Het zou duren tot de gouden jaren zestig tot de gemeenten overgingen tot financiële inspanningen om hun brandweerkorpsen met het allernoodzakelijkste materieel uit te rusten.