Machteloos tegenover het vuur

Naast de grote voordelen die door de mens, ten gevolge van de ontdekking van vuur bekomen werden, kennen we ook vele rampen en grote branden die ontelbare slachtoffers maakten en materieel en financieel verlies betekenden.

De bouwwijze van de huizen bracht mee dat branden makkelijk konden uitbreken en snel om zich heen konden grijpen. Er werd gestookt in een open vuurplaats, meestal bestaande uit een rond gat in de bodem.

Schoorstenen waren onbekend. De rook werd afgevoerd door een opening in het strodak. De meeste huizen waren van hout, de steegjes nauw en bochtig.

In zulke omstandigheden was het niet de vraag of, maar eerder wanneer de volgende brand zou uitbreken.

De bewoners waren praktisch zonder bescherming overgeleverd aan het vuur. Zowel een goede organisatie als effectieve gereedschappen voor de brandbestrijding ontbraken.

Tijdperk van de grote stadsbranden

Het is dus niet zo vreemd dat de middeleeuwen, vooral de 12e tot de 14e eeuw de geschiedenis zijn ingegaan als de periode van de grote stadsbranden. Wanneer mensen zich aan de elementen voelen overgeleverd, nemen ze hun toevlucht tot het bovennatuurlijke.

Zo was het ook in de middeleeuwen; door middel van magische handelingen hoopte men het uitbreken van branden te kunnen voorkomen.

In veel gebieden dacht men dat het vuur een levend wezen was. Zelfs nog in de 18e eeuw werd op bevel van de hertog gebruik gemaakt van de diensten van bezweerders, die in het geval er toch brand uitbrak, in het vuur werden geworpen.

Maar ook de middeleeuwse mens die leefde in een wereld van magisch-religieuze voorstellingen, moest tot het inzicht komen dat zulke 'hocus-pocus' uiteindelijk geen resultaten kon hebben. Langzamerhand begon men in te zien dat een voorzichtig omgaan met vuur van wezenlijk belang was om brand te vermijden. Ook kwam men tot besef dat alleen goed georganiseerde en energieke blusacties erger konden voorkomen.

Couvre feu-wetten

Het grootste gevaar vormden de open vuren in de huizen. De eerste voorschriften waren er op gericht deze onder controle te houden. Al in de 9e eeuw bestond er in het Frankische rijk een 'couvre-feu-wet'.

Hierin werd voorgeschreven dat de stookplaats iedere avond moest worden afgesloten met een deksel van hout, later van ijzer, om de inwoners aan hun plicht te herinneren, werd elke dag op dezelfde tijd de avondklok geluid.

Behalve deze gedragsregels werden in toenemende mate ook bouwvoorschriften uitgevaardgd, die vooral vuurbestendige materialen betroffen. Zo werd na een verwoestende brand in 1176 in Lübeck het bouwen met strodaken verboden.

In de Nederlanden werd pas na de ordonantie van 1521, uitgevaardigd door keizer Karel V , enige verbetering gebracht in het brandveilig bouwen van woningen.

Brandweervoorschriften

Tussen de 12e en 14e eeuw werden in steeds meer steden brandweervoorschriften uitgevaardigd, die de essentiële zaken betroffen; het slaan van alrm, maatregelen ter handhaving van de openbare orde en blusacties. Deze verordening luidde :

  • Zorg ervoor dat de brand snel bekend raakt : Wie vuur ziet moet 'brand' schreeuwen. De torenwachter moet goed opletten, en als er brand uitbreekt, direct de klokken luiden.
  • Maatregelen ter handhaving van de openbare orde : de stadspoorten moeten direct gesloten worden. De poorter moet zijn wapenuitrusting aandoen en de stadswallen bezetten. Herbergiers zijn verplicht hun gasten binnen te houden. Waarden mogen geen, of slechts in bepaalde mate drank levere. Het veroorzaken van relletjes wordt bestraft. Diefstal tijdens een brand wordt met de dood bestarft.
  • Het eigenlijke bluswerk : Metselaars en timmerlieden moeten zich met hun gereedschap melden. Tuiniers, druiventelers en sjouwers moeten vor vaten water zorgen. De uitgeleende lederen emmers moeten gehaald en gebruikt worden. De leiding is in handen van de burgemeester of eventuele raadsleden.