logo

De wet van 1836

Deze wet heeft de tendens bekrachtigd door officieel aan de gemeenten toe te staan dat ze mochten kiezen voor een gewapende of ongewapende brandweer. De gewapende brandweer maakte het mogelijk de financiële problemen te boven te komen, die eigen zijn aan de oprichting van een brandweerkorps, want hij werd rechtstreeks gesubsidieerd door het Koninkrijk, hetgeen verklaart dat de gewapende brandweerlieden in regel beter uitgerust waren dan hun collega's die niet gewapend waren.

Gekleed en gewapend als geniesoldaten combineerden de brandweermannen vaak hun toezichtstaken inzake brandpreventie met het bewaren van de openbare orde. In feite waren de gewapende brandweerlieden verplicht tot aanvullende taken, zoals het handhaven van de openbare orde. Brussel, Antwerpen, Luik, Gent, Oostende en ook Mechelen zullen dit systeem kiezen.

Door de Wet van 31 december 1963 werd dit officieel.

 

Het Gewapend pompierskorps van Mechelen werd geboren uit de gemeenteraadzitting van 28 juni 1894, toen het verslag der Bijzondere Commissie, gelast met de studie der hervormingsplannen werd voorgedragen en aangenomen. De toen gestemde standregels van het korps omvatten een veertigtal artikels en volgende hoofdpunten:

      1. De Beheerraad
      2. Kleding en bewapening
      3. De dienst
      4. De beloning
      5. De algemene schikkingen
      6. Overgangsbepalingen

defile van gewapend korpsIn de gemeenteraadszitting van 26 december 1894 werden tot officieren van het hervormde korps aangesteld:

  • Alfons Hertsens tot Kapitein bevelhebber
  • Jozef Gauthier tot 1e Luitenant
  • Franckx Jozef tot 2e Luitenant
  • Dr. Peeters August tot Luitenant-korpsdokter
  • J.Franckx en E.Van den Bergh tot Onder luitenant

Kleding

De werkkleding en uitrusting voor iedere pompier is op kosten van de stad.

Het nieuw uitgedoste korps verscheen in uniform voor de eerste maal op straat tijdens de kermisprocessie van 7 juli 1895.

Bewapening

Voor de bewapening van de pompiers is er een aanvraag aan het Gouvernement gedaan om de oude geweren van de Burgerwacht te bekomen. In afwachting heeft de kolonel van de Burgerwacht van Mechelen de geweren ten dienste gesteld van het pompierskorps.

Reglement van inwendige orde

De leden van het korps in uniformskleding, moesten zich gedragen aan alle voorschriften in gebruik bij het leger. De graden kwamen enigzins overeen.

Kapitein-bevelhebber (Alfons Hertsens)

oefent zijn waakzaamheid over alle delen van de dienst. Hij beveelt de Luitenant, geeft alle bevelen, hij verzekert zich van het goed onderhoud van het materieel van de dienst, na elke vergadering moet hij een dubbele lijst opmaken waarop aangeduid staat wie afwezig is en past hieraan een geldboete toe.

Luitenant

is de natuurlijke helper van de kapitein-bevelhebber in alle delen van de dienst. Hij vervangt de bevelhebber bij afwezigheid. Hij is bijzonder belast met de bewapening en de uitrusting der leden. Hij geeft ook theoretische en praktische oefeningen.

Onderluitenant (J. Dogaer)

houden zich bezig met alle bijzonderheden van de dienst. De eerste onderluitenant is gelast de manschappen het gebruik van het materieen aan te leren. Hij zal na iedere brand verslag uitbrengen aan de bevelhebber. De tweede onderluitenant zal de eerste bijstaan.

Geneesheer (August Pieters)

de dokter van het korps is verplicht ter plaatse bij iedere brand aanwezig te zijn. Hij neemt deel aan de algemene oefeningen, vuuroefeningen en reddingsoefeningen. Hij is gehouden een bezoek te brengen, bij ziekte van een pompier.

Sergeant-Majoor (G. Cluytens)

deze vervult de dienst van secretaris van de kapitein-bevelhebber en is gelast met de boekhouding van het korps.

Fourier

de fourier helpt de sergeant-majoor in alle functies en vervangt indien nodig.

1920, korps voor de Kommieziehuizen11 maart 1895

Op deze datum werd het reglement opgesteld te Mechelen door Kapitein-bevelhebber Alfons Hertsens en zal aan de goedkeuring van de gemeenteraad onderworpen worden overeenkomstig art.39 van het reglement van het pompierskorps.

In totaal waren 33 leden van het korps aangesloten bij de telefoon of een andere alarminstallatie.

Diest van het brandspuitlokaal

Door bevelhebber Kpt.Hertsens wordt in 1898 een document opgesteld waarin de werking en uitvoering van deze dienst staat vermeld. De volgende punten waarin hierin bijzonder van toepassing:

  1. De dienst van het brandspuitlokaal (voorloper van de brandweerkazerne), wordt toevertrouwd aan twee aangestelden welke aanzien worden als personeel van openbare werken van de stad.
  2. De agenten zullen voor deze dienst ieder een jaarwedde genieten van 800 Bf.
  3. Er zal gedurende dag en nacht één der aangestelden in het lokaal aanwezig moeten zijn. Tijdens die 24 uren zal hij zijn post geen enkel moment mogen verlaten, hij mag niet weggaan vooraleer hij vervangen is door zijn collega.
  4. De in dienst zijnde aangestelde zal dagelijks gedurende tien uren moeten werken; kuisen, invetten van de spuiten en nazien van al het andere blusmateriaal.
  5. De aangestelden zullen op de dagen dat zij buiten dienst zijn in het brandspuitlokaal gedurende 6 uur per dag van 9u tot 12u en 13.30u tot 16.30u in de stadshalle werkzaam zijn, mits een dagloon van 6 Bf. per week.
  6. Gedurende hun dienst in het lokaal zullen de aangestelden een pompiers of werkkledij dragen die door de stad tot hun beschikking zal gesteld worden.
  7. Voor wat de oefeningen aangaat van het pompierskorps en in geval van brand, staan de aangestelden van het brandspuithuis onder de bevelen van de overste van het korps, aan welke zij ten allen tijde eerbied verschuldigd zijn.
Evolutie
Tuchtreglement

Daar de tucht de macht uitmaakt van het gewapend korps, had Kapitein-bevelhebber Hertsens een reglement van inwendige orde ingevoerd. Elke pompier moest dit stipt naleven.

De volgende boetestraffen werden ingevoerd:

  • 1,50 Bf. aan diegene die afwezig was op een wapenoefening of hun dienst verlieten zonder toestemming
  • 2 Bf. diegene die hun adresverandering niet hadden doorgegeven binnen de 24 u en de kapitein-bevelhebber niet hadden verwittigd
  • 5 Bf. niet aanwezig op een vergadering
  • 5 Bf. diegene die zich niet naar de brandblusplaats zullen begeven of weigeren de bevelen op te volgen
  • 5 Bf. voor wie zich misdraagt in uniformkleding
Sinds 1938

Tot slot nog een kort overzicht van de toestand der "Verdedigingsmiddelen tegen brand", dus aan het einde van de hier besproken periode, zoals die blijkt uit een enqueteformulier van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid.

In totaal waren er 41 brandweerlieden waarvan er 39 vrijwilligers en 2 vaste of beroepsbrandweerlui.

Bij de Vrijwilligers waren er 2 officieren, 6 onderofficieren, 4 korporaals en 27 pompiers.

Lees ook ...
Generic placeholder image

De grote stadsbrand in Chicago (Illinois) in 1871. Het hele verhaal op:

The Great Chicago fire

Een buitenbeentje was de gewapende brandweer, door Napoleon ingevoerd om middels een militaire structuur tot een doeltreffender brandbestrijding in de steden te komen. Gedurende de ganse 19e eeuw werd het gebrek aan goed uitgebouwde stedelijke politiekorpsen gedeeltelijk gecompenseerd door het bewapenen van de “sapeurs-pompiers”.