Rode vlag op de Sint Romboutstoren bij brand en onheil

Lakenhalle

Foto rechts : Voormalige 'LAKENHALLE', nu stadhuis (spiegelbeeld !) Grote Markt 21. De westelijke vleugel uit de 14de eeuw bevat een lage belforttoren met een centraal barok dakvenster.

De octogonale hoektorentjes dateren uit de 16de eeuw. Rechts bekronen barokke voluten een verlaagde toren. Het opschrift 'museum' geeft de functie van het gebouw tot de Eerste Wereldoorlog aan.

In de volle 19e eeuw bleef de oude Lakenhalle voor diverse functies dienstig, deels als stadsgevangenis, deels als stadsmagazijn en brandweerlokaal.

Bij brand stond heel de stad in rep en roer. Riep men "brand, brand ! "dan trad een niet meer te stoppen burgerlijk automatisme in gang. Een soort rampenplan avant la lettre.

Iedere burger wist wat hij moest doen. Een hele rits ambachtslui stoof naar de plaats van het onheil dat reeds was aangegeven door de torenwachters die de rode vlag op de Sint-Romboutstoren uithingen in de richting van de brand. 's Nachts gebruikte men daarvoor een lantaarn. De trompetters bliezen hun longen leeg, terwijl de brandklok begon te beieren.

Ondertussen hadden de burgers in de omgeving van de brand, kaarsen, lantaarns, olielampen ontstoken zodat de aanrukkende brandweer en al de opgeroepen en gemakkelijk de weg tot de plaats van het ongeluk zouden kunnen vinden.

Aan de huizen hadden de mensen reeds kannen, emmers, kuipen geplaatst en voorzien van water, voor zover ze die vlug konden vullen. Water kon men halen uit de Dijle, de vlietjes, de bornputten en de verschillende handpompen die toen al volop dienst deden. De brandweer moest ondertussen hun mannen weten te verzamelen om zo snel als mogelijk op de plaats van de brand te geraken.

Er werd geld gegeven aan burgers om de pompen mee te helpen duwen. Immers een deel van de pompiers moesten emmers en ladders vergaren die op verschillende plaatsen in de stad opgestapeld lagen.

Eens ter plaatse gaf de opperbevelhebber, getooid met de rode veer, de instructies hoe er moest geblust worden. De brandslangen werden voorzichtig uitgerold en de bedienaars moesten zorg dragen dat die worsten, zoals ze dat toen noemden, niet in een knik lagen en goed aangesloten waren met de waterkuip.

Men had veel water nodig. Daarom moesten de mestrapers, de hoveniers, de voerlieden en de kordewaegenaers met hun wagens en paarden water aanvoeren die ze in tonnen aanbrachten. Die tonnen konden ze krijgen van de brouwers. De eerste twee tonnen water brachten 3 gulden op.

lederen emmerDe wateraanvoer mocht niet onderbroken worden. Men maande de burgers aan mee te helpen blussen, hetzij met het aanbrengen van water of met de brandweerlui vrijwillig bij te staan.

Immers aanpalende woningen probeerde men tegen de vlammen te beschermen door natte doeken en zeilen aan te brengen. Het was een heel schouwspel, zelfs de bestuurders van de stad hielpen mee in het uitdelen van raad en aanwijzingen terwijl de politie moeders en kinderen op afstand hielden.

Inboedels werden opgeslagen in een woning of magazijn op veilige afstand van de brand. Burgers waren verplicht hun huis of magazijn ervoor ter beschikking te stellen en voor de bewaring van de goederen in te staan.

Waar men de dag vandaag een brand met volle vertrouwen overlaat aan de professionele brandweer, lag de situatie toen anders. Iedere burger spande zich in om de vuurhaard snel te blussen. Bij uitbreiding van de brand liep eenieders huis gevaar en kon de stad in een totale ramp verzeild geraken.

Mensen van toen beseften dit maar al te goed. Laten we maar lachen met de Mechelaars die de maan gingen blussen in de nacht van 26 en 27 januari 1687.

Het is natuurlijk een grappig verhaal. Maar de illustraties van toen laten zien, hoe de Mechelaar reageerde op het brandgeroep1. Al zagen de meeste mensen niet hetzelfde als de aankondiger van de brand, niets werd aan het toeval overgelaten. Groepen mensen trokken naar de toren, met ladders en emmers.

Pas enkele momenten later realiseerde men de stompzinnige uitlating van die ongelukkige kerel die Mechelen zou opzadelen met een spottende eretitel van maneblusser.

Toch blijven we met de spotnaam opgezadeld! Goed meegenomen. Hij brengt vandaag voor de stad een aardige cent op. Wie laatst lacht, lacht het best. Lees meer hierover op pagina 'De Maneblussers'