Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

Oprichting van het vrijwillig brandweerkorps in 1859

In 1807 waren er te Mechelen reeds mensen aangesteld om in te grijpen wanneer er een brand uitbrak in de stad. Deze werden geworven onder de meesters-ambachtslieden die voor de stad werkten en waren allen vrijwilligers. Hun uitrusting was eerder primitief; zij bezaten een handperspomp die regelmatig door middel van lederen emmers moest gevuld worden. Het alarm werd gegeven door de torenwachter die de brandklok moest luiden en de richting van de brand moest aanduiden met een rode vlag overdag en een lataarn bij nacht.

Met de industrialisering in de stad werden ook de branden talrijker. Van 1807 tot 1856 gemiddeld 2 branden per jaar, van 1856 tot 1900, 7 per jaar en van 1900 tot 1951, 30 branden per jaar.

De ondervinding van verschillende branden in de periode vóór 1858 heeft bewezen dat de aangebrachte verbeteringen aan het materieel nog niet voldoende waren en dat er een definitieve regeling moest worden genomen. Het gemeentebestuur voerde een reorganisatie van het brandweerkorps door en een nieuw reglement werd gestemd. Het college was gelast met de uitvoering ervan.

vrijwillige korpsHet nieuwe pompierskorps is thans gereorganiseerd en beter geëquipeerd, het bezit goed materieel en oefent regelmatig. Maatregelen werden genomen om zoveel mogelijk in geval van een ramp, doelmatig te kunnen optreden wat een vereiste is. Aan de hand van art. 30 van het "Brandweerreglement" werd J.B Goossens bevelhebber van het korps.

Stad Mechelen, Reglement op de dienst der brandspuiten

De gemeenteraad der stad Mechelen, gezien het reglement over de hulpmiddelen in geval van brand, de dato 25 februari 1822. Gezien het artikel 78 der gemeentewet van 30 maart 1836, stelt het reglement op met volgende inhoud:

Hoofdstuk 1 - van het korps der pompiers.

Art. 1. De dienst der brandspuiten van de stad is toevertrouwd aan een korps van pompiers samengesteld uit:

  • 1. beambten die aan de gemeentedienst werken
  • 2. meesters die gewoonlijk voor de stad werken
  • 3. vrijwilligers
  • 4. stadswerklieden

Art. 2. Het college van Burgemeester en Schepenen wijst de beambten en werklieden aan die deel uitmaken van het korps.
Art. 3. De meesters die gewoonlijk voor de stad werken zijn verplicht om het korps te dienen. Diegene die wegens ouderdom of ziekte niet meer bekwaam is om ziijn diensten te bewijzen moet zich door een familielid laten vervangen.
Art. 4. De aanstelling van de vrijwilligers wordt door het schepencollege gedaan.
Art. 5. Al de leden van het korps nemen schriftelijk de verplichting aan zich naar de voorschriften van het reglement te gedragen.

Hoofdstuk 2 - graden en werkzaamheden

Art. 6. Het korps heeft:

  • 1 bevelhebber
  • 5 brigadiers
  • 30 pompiers
  • Een onbepaald aantal werklieden.
  • Alle benoemingen worden door het schepencollege gedaan.
  • De dienstkleding wordt door de stad geleverd en blijft haar eigendom. Ze bestaat uit een vest, een gordelriem met plaat en het stadswapen erop en een stormhoed in leder.
  • De overste is belast met; het algemeen toezicht van het materieel, het bevel over het korps en met onderrichting. Hij ontvangt zijn orders van de burgemeester of van een schepen afgevaardigd door de politie.
  • De brigadiers zijn bijzonder gelast en staan onder het bevel van de bevelhebber, zij zorgen dat de pompiers goed opgeleid zijn.
  • De pompiers zijn belast met al wat de dienst der brandspuiten betreft, de werklieden helpen de pompiers.
  • Alle leden van het korps moeten aan hun overste hun woonst bekend maken, de overste houdt een nauwkeurige adressenlijst bij.

Hoofdstuk 3 - de dienst

Art.19. De dienst is belast met: oefeningen en theoretische onderrichtingen en nazicht van het materieel.
Art.20. De oefeningen en onderrichtingen vinden alle maanden plaats, telkens twee uur, alle leden van het korps zijn verplicht hieraan deel te nemen.
Art.21. De overste regelt de dienst en zorgt voor de bezetting van elke brandspuit.
Art.22. In geval van brand, begeven alle pompiers zich onmiddellijk naar het brandspuithuis (kazerne), de overste zorgt dat hij daar altijd als eerste aanwezig is.
Art.24. Naar mate de pompers aankomen stelt de overste het volk voor elke spuit aan en begeeft hij zich ter plaatse van den brand, hij verlaat deze plaats niet vooraleer alles in orde is.
Art.26. De pompiers plaatsen zich op hun post die door hun overste aangewezen is, zij werken en gehoorzamen in stilte, zij houden zich steeds aan spuit.
Art.27. Na elke brand doet de overste verslag aan het Schepen College.

De lokalen en al het materieel wordt door de stad geleverd. De schriften worden bijgehouden door een pompier of een stadsbeambte die het college zal aanstellen.

Art. 40. Het "Brand-reglement" de dato 25 februari 1822, wordt staande gehouden in alle schikkingen die niet tegenstrijdig zijn. Dit werd vastgesteld in zitting van de Gemeenteraad te Mechelen op 25 juni 1859. Het werd ondertekend door de burgemeester-voorzitter, Broers en de secretaris J.L.A. Rijckmans.

Evolutie
Hoofdstuk 4

Vergeldingen, beloningen en straffen

Art.28. Wanneer een lid van het korps een zwaar ongeval overkomen is, regelt de gemeenteraad de vergelding of schadevergoeding die door de stad betaald wordt.

Art.29. Er wordt jaarlijks aan het korps binnen de limieten van het krediet in de stadsbegroting een begiftiging verleend waarvan het beloop door het college bepaald wordt.

Art.30. De beloningen zijn: melding in het verslag met of zonder ruchtbaarheid door het college verleend, de eremedaille wordt door de gemeenteraad gegeven op voordracht van het college en wordt in openbare zitting uitgereikt.

Art.34. De straffen zijn: de berisping, de opschorsng, de wegzendingen en de herroeping.

Art.35. De berisping wordt door de burgemeester of schepen uitgesproken.

Art.36. De opschorsing wordt uitgesproken door het Schepencollege voor de fouten die de berisping met zich meebrengen zoals; wanneer de feiten zich herhalen binnen de twaalf maanden, voor afwezigheid of te laat aankomen in geval van een brand zonder geldige reden, dronkenschap, dienstweigering of ongehoorzaamheid.

Art.37. De wegzending is toepasselijk op de pompers en werklieden, de herroeping aan de overste en brigadiers. Deze straffen worden door het Schepencollege uitgesproken voor veelvuldige afwezigheid in geval van brand, dronkenschap, dienstweigering of ongehoorzaamheid bij herhaling van een branddienst. De meesters en werklieden die weggezonden worden of herroepen zijn, mogen niet meer aan stadswerken deelnemen.


Nuttige links
Wist je dat?

Met de industrialisering in de stad werden ook de branden talrijker. Van 1807 tot 1856 gemiddeld 2 branden per jaar, van 1856 tot 1900, 7 per jaar en van 1900 tot 1951, 30 branden per jaar. Alle leden van het korps moesten aan hun overste hun woonst bekend maken, de overste hield een nauwkeurige adressenlijst bij.