De Noëz werden pompier van vader op zoon

De Noëz werden pompier van vader op zoon. In het burgerleven waren zij allen schaliedekkers en werkte voor de stad Mechelen. Uit hoofde van hun beroep, waren zij verplicht op straf van boete, om zich bij brand onmiddellijk naar de plaats van het onheil te begeven.

De familie Noëz is eigenlijk de oudste Mechelse pompiersfamilie, want zoalng de pompiers in Mechelen bestaan, hebben ze Noëz onder hun leden geteld.

Bij de oprichting van het korps op 25 januari 1822 werd jan Baptist Noëz van beroep schaliedekker als eerste helper van pomp nr 1 aangesteld.

Foto rechts : portret van brandweerman Lodewijk Noëz in gala-uniform, in 1917. De naam van de familie Noëz kwam 152 jaar ononderbroken voor in het brandweerkorps.

In 1979 ging de laatste Noëz, Adjudant Louis op rust.

Sedert meer dan 200 jaar leverde de familie Noëz 13 brandweermannen.

Het verloren brandreglement van 1807

Mij viel in het reglement van 1822 op dat men niet de naam van Joannes Baptist vernoemde maar wel sprak over de zoon van Noëz. Dit reglement verwees naar dat van 1807.

In het Mechels archief vond ik bij de rubriek "Brandweer" geen wet van 1807. Plotseling viel me op dat de kosten van de toenmalige brandweer gedragen werden door de Mechelse politie.

Vader Adrianus was leidekker en bracht het zelfs tot meester in dat vak, alhoewel hij niet kon schrijven. Een niet ongevaarlijke job. Houten ladders, steile daken, tonnen leien, heel wat sleur en gewichtwerk. Die mannen kenden als geen ander de sterke en zwakke punten van een dak, de toestand van het hout, de schouwloop.

Brandweergeslacht Noëz heeft 157 jaar pompiers voortgebracht

Zo is de familie Noëz altijd in het brandweerkorps verzeild geweest. Tot in 1859 bij de herinrichting van ons stedelijk pompierskorps waren nog drie Noëz in dienst. Namelijk : Judocus, Corneel en Victor allen schaliedekkers vanaf 1859 tot 1894. Toen werd voor de tweede maal het korps hervormd. In het gewapend-vrijwilligerskorps vinden wij Noëz Philip van 1859 tot 1866, Noëz Josse van van 1859 tot 1889, Noëz Victor van 1665 tot 1892, Noëz Gustaaf van 1885 tot 1892, Noëz Leon van 1885 tot 1899, zij waren allen schaliedekkers en Noëz Karel, zinkbewerker van 1892 tot 1902, Noëz Emiel van 1894 tot 1902, Noëz Leopold van 1901 tot 1930 en Noëz Louis van 1912 tot 1930.

Ze waren zowel thuis op gewone daken, als die van fabrieken en als die van de kerken. Ook vieringtorens en de ranke steile spitsen van de Brusselpoort waren hun werkterrein. Deze vaardigheid wist de stad te benutten om die kerels te verplichten bij brand mee te helpen komen blussen. Als ze zich bij de brandweer inlijfden konden ze van de stad werk krijgen. Het repareren van stadsdaken, bracht heel wat geld op.

Vanaf 1822 zien we de familie Noëz tot de jaren 1979 onafgebroken vuur helpen blussen bij de Mechelse brandweer. Ze deden het niet slecht want van bijstand eerste spuit in 1822, tellen we onder hen een brigadier, een wachtmeester, enkele korporaals, een sergeant, een adjudant, een luitenant en zelfs een kapitein bevelhebber.

  • Gebroeders Noëz
  • Jaques De Coster
  • Adrianus Noëz
  • Paul Noëz
  • Lt.Louis Noëz

Drie onder hen hielden het dertig jaar en meer uit, zoals de laatste van de Noëz 39 jaar. Er zijn er die eeuwig geboekt staan voor moed en opoffering en die gelouterd zijn met een heleboel eretekens. De familie Noëz die 157 jaar mee de geschiedenis van de stedelijke brandweer heeft geschreven, zelfs al begon die geschiedenis in de 13e eeuw, het is niet niks!

Ik wil er nog wat jaartjes bijdoen. Naar mijn mening hebben de Noëz 172 jaar gediend. Niet zo bijster veel meer. Maar toch, geschiedenis blijft leven en nieuwigheden opleveren. Zelfs details zijn dan belangrijk.

Er zijn er die eeuwig geboekt staan voor moed en opoffering.

huldigingDit leidde me naar hun dossier, waar ik wonder wel het reglement van 1807 vond. Zelf was ik fier, gezien de link met de politie niet in de gedachte opkwam bij de Mechelse ex-archivaris Installé, nochtans een monument tussen alle archivarissen.

Goed, laten we maar bescheiden blijven. Voor de stad een stukje puzzel meer, voor mij een mogelijkheid om aan te tonen dat Adrianus, vader van Joannes, al brandweerman was van de stad Mechelen voor 1822.

Alleen kan ik niet bewijzen sinds wanneer ? Het is best mogelijk dat hij al in 1807 in dienst van de stad stond te helpen blussen als handwerkman bij de vierde spuit!

In 1822 kende men vader Adrianus blijkbaar goed bij de stad, omwille van de formulering in het reglement. Wellicht volgde Joannes zijn vader op en was deze laatste inmiddels bevorderd tot helper spuitgast van de eerste spuit. Joannes Noëz was 18 geworden en zou de brandweer dienen gedurende 22 jaar, jaar.