Evolutie en geschiedenis van het brandweerkorps

Alarm via de elektrische bellen

Tot circa 1904 moest bij alarm eerst een politieagent per fiets ter plaatse gaan om vast te stellen of de hulp van de pompiers wel nodig was. Zo ja, dan moest men nog eerst de paarden van de reinigingsdienst afhalen op de Winketkaai om de stoompomp te trekken. En wanneer er dan toch nog iets te blussen viel, konden onze spuitgasten uiteindelijk aan hun taak beginnen.

Gaslantaarns

BotermarktIn 1842 werd de eerste gasleiding aangelegd in de Befferstraat. Op 3 september 1842 werden enkele straten in de binnenstad voor het eerst met gas verlicht. Eind dat jaar waren er al 428 gaslantaarns tegenover nog slechts 49 die met olie of petroleum gebrand werden.

Op de foto hiernaast ziet u de Botermarkt met in de achtergrond de toenmalige groentenhal, vooraan staat er een gaslantaarn.

In april 1843 werd de gasvoorziening in concessie gegeven aan een Parijse firma. Tegen 1859 waren alle olielampen in de binnenstraten vervangen door verlichting op gas en het aantal lantaarns was gevoelig uitgebreid. De concessieovereenkomst voor gas werd dertig jaar later bijgestuurd om aansluitingen door particulieren op het net goedkkoper te maken.

Toch bleven tot na de Eerste Wereldoorlog de meeste woningen met petroleumlampen verlicht.

Alarmbellen

Henri De Poorter had een eigen systeem uitgedokterd met deze bellen, wat unaniem werd aanvaard voor de prijs van 4.890 Bf. Onmiddellijk werd nu het art. 24 van het "Brandweerreglement" gewijzigd. Zodra een brand zich in de stad verklaard worden de leden van het pompierskorps verwittigd door een sein van een elektrische bel.

In zitting van de gemeenteraad van 23 maart 1893 werd aan de firma De Poorter de aanleg en plaatsing toegewezen van elektrische bellen tussen het politiebureau en de woningen van de pompiers. Tot dan moesten onze spuiters bij brand nog steeds aan huis zelf worden verwittigd, of moesten gevolg geven aan het klaroengeschal vanop de St.Romboutstoren.

Maar het duurde nog tot 14 maart 1895 alvorens tot uitvoering ervan werd besloten, maar deze wijziging dat alleen een bel zou geplaatst worden in de woningen van de pompiers, maar zonder dat deze moesten antwoorden dat hij verwittigd was geworden zoals wel oorspronkelijk werd voorzien.

Op dat ogenblik had de stad Mechelen nog geen elektrische leidingen in de stad en dus ook geen electriciteit. Het systeem maakte gebruik van de bestaande telegraaflijnen.

Dat niet alle leidingen gebruikt werden blijkt in 1908 wanneer de Minister van de Spoorwegen verzoekt de ongebruikte leidingen van het alarmbellensysteem die hinderlijk zijn voor het aanleggen van de spoorlijnen, te verwijderen.

Onze De Poorter had zelf een systeem ontworpen met een grote accu gevuld met een bijtend product, waarvan de plaat werd ondergedompeld waaraan de draden werden bevestigd.

En ja het lukte

Huis De PoorterEindelijk kon men victorie kraaien. Op 19 december 1895 rond zes uur in de morgen werd vanop het politiebureau een proefalarm gegeven, met de mededeling dat iedereen op de Grote Markt moest samenkomen.

Nauwelijks vier minuten na de eerste verwittiging was de eerste pompier present, op minder dan 15 minuten was gans het korps verwittigd.

Er werd nu wel gebruik gemaakt van het nieuwe systeem, maar het duurde toch nog tot rond 1900 vooraleer men een volledig operationeel plan had uitgekiemd, eerst een lang alarmsein als verwittiging dat er een brand was uitgebroken, onmiddellijk gevolgd door een aantal kortere seinen die men moest optellen. De som van de optelling duidde de wijk aan waar de brand was gesitueerd.

Eind 1895 telde de stad Mechelen 53.772 inwoners.

Elektriciteit

De toekomst lag echter niet in de uitbreiding met gaslantaarns. Sinds 1885 draaide in Brussel een elektriciteitscentrale. Toen het stadsbestuur van Mechelen in 1899 een aanbod kreeg voor het aanleggen van een elektriciteitsnetwerk, hield het de boot af omwille van de hoge investeringen. Na enig geëxperimenteer, o.a op de Ijzerenleen in 1903, kwam er pas in 1908 licht aan het einde van de tunnel.

In een stedelijk netwerk bleek enkel een elektriciteitscentrale in Schaarbeek geïnteresseerd, die beheerd werd door de schatrijke ingenieur baron Eduard Empain. Die plaatste twee jaar later in de binnenstad de eerste cabines en legde de eerste kabels. Tegen november 1910 waren er toch al 350 aansluitingen op het elektriciteitsnet.

Op 1 januari 1911 werden de eerste pylonen met elektrische straatverlichting feestelijk ontstoken. Enkele weken later startte de eerste elektriciteitscentrale op aan de Antwerpsesteenweg.
Tegen 1914 waren de Ijzerenleen, Vijfhoek, Bruul en Veemarkt elektrisch verlicht en waren de openbare gebouwen en de meeste huizen in die straten op het net aangesloten.

Anekdotes
Elektriciteit in de stad

Openbare nutsvoorzieningen waren een nieuwigheid in de jaren 1840. Op 3 april 1841 keurde de gemeenteraad de plannen goed voor openbare verlichting op gas in de belangrijkste straten van de binnenstad.

Die moesten de petroleumlampen vervangen en er moesten ook meer lichtpunten komen. In augustus 1841 startte de bouw van de eerste gasfabriek aan de Gentsespoort, naast de provinciebaan mechelen-Dendermonde (tegenwoordig is dat de hoek van de Battelsesteenweg en de Olivetenvest).

Baron Empain

Édouard Louis Joseph Empain (Belœil, 20 september 1852 – Sint-Pieters-Woluwe, 22 juli 1929) was een Belgisch ingenieur, ondernemer, bankier en mecenas.

Eduard Empain

 

Hij richtte talrijke ondernemingen op, meer bepaald in de elektriciteitssector op het vlak van productie, distributie, vervoermiddelen en constructies.

Hij is internationaal bekend als degene die de metro van Parijs aanlegde en als de bouwer van de stadswijk Heliopolis in Caïro. Empain was de stichter van de industriële dynastie Empain, die tot diep in de 20e eeuw actief was.

In de 1880 kwam er een tweede gasfabriek aan de Hanswijkvaart. De brandstof was steenkool. In 1842 werd de eerste gasleiding gelegd in de Befferstraat.

Nuttige links
Wist je dat?

In zitting van de gemeenteraad van 23 maart 1893 werd aan de firma De Poorter de aanleg en plaatsing toegewezen van elektrische bellen tussen het politiebureau en de woningen van de pompiers. Tot dan moesten onze spuiters bij brand nog steeds aan huis zelf worden verwittigd, of moesten gevolg geven aan het klaroengeschal vanop de St.Romboutstoren.